Zomer 1986, maandag 7 juli. Marco was acht, groeide naar de negen. Zijn zomervakantie was een week ver. Die ochtend was hij aan de hand van zijn meter mee de markt afgewandeld. De zon sprenkelde licht en warmte over zijn kleine provinciestad. Hij droeg een beige zomerjasje en een kaki kniebroek met carreaux motief. Hij kreeg van zijn meter als vroeg middageten een hamburger, rijk belegd met van bakboter glimmende ajuin en tomatenketchup. Nadien had hij dorst. Maar hoezeer hij ook klaagde en snikte, een frisdrank zou hij pas later krijgen, wanneer zijn meter haar vier jaar oudere marktvriendin zou opzoeken in taverne De Vest. Toen ze Marco’s gejammer beu was zei ze kortaf dat hij maar van de plassen op de grond moest drinken. Die waren die nacht bij een warmteonweer gevormd. Marco zweeg toen, ook in taverne De Vest, waar zijn meter de weetjes van de week uitwisselde met haar vriendin. Marco dronk er met een strootje een cola.
Op die maandag voetbalde Marco niet in de ouderlijke tuin. Dat deed hij normaal elke dag wanneer het weer geschikt was. Hij was de Drievuldigheid Ceulemans, Gerets en Pfaff in één. Hij was echter te moe van de lange wandeling die voormiddag. De markt doen was toen al gauw zes kilometer slenteren langs kraampjes waar de koopwaar wel interessant was, maar niet nuttig, laat staan noodzakelijk. In de late namiddag deed hij een dutje op de sofa in de woonkamer. Hij had dan ook geen idee dat die namiddag stadspersoneel allerlei werkgerei was komen afleveren. Daags nadien zou de wegel die achter de tuin van zijn ouders liep worden ontdaan van onkruid en andere flora. Er moest een geasfalteerd pad komen. Dat zou de doorgang tussen de twee straten die het wegeltje verbond niet enkel mooier, maar ook gebruiksvriendelijker maken. Er passeerde in die periode zelden nog iemand. Modder van herfst tot lente, snel oprukkend gras en brandnetels in de zomer en breedte overbruggende kruisspinnenwebben vormden een alliantie. Groot was dan ook Marco’s verbazing toen hij die dinsdag bij het betreden van het gazon rond tienen achterin de tuin beweging zag.
Hij trapte eerst wat rusteloos tegen zijn bal en gluurde constant naar de achterzijde van de tuin. Wat gebeurde er? Waarom was hij niet op de hoogte? Hij liep naar binnen en vroeg zijn moeder wat er gebeurde, wie die mensen waren. Zijn mams vertelde hem dat de werkmannen het pad gingen opknappen en dat hij zich dat niet moest aantrekken. Hij mocht volgens haar gerust verder voetballen. Hij ging opnieuw de tuin in. Naarmate de beweging zich over de hele wegel verspreidde, groeide zijn nieuwsgierigheid. Die werd tegen de middag zo groot dat hij de bal met een flinke trap de achtertuin in keilde. Hij liep er achteraan, pakte zijn bal en stak hem onder zijn linkeroksel. Hij bekeek de werkmannen en wat ze deden. Ze groetten hem. Hij groette verlegen terug. Na vijf minuten toekijken ging hij opnieuw een paar keer dribbelend de tuin door. Hij vond het niet mooi van zichzelf dat hij hen daar in stilte stond te bekijken. Zijn moeder riep hem even later voor het middageten. Er stond een bord spinaziestomp klaar, keurig met een putje in het midden voor de jus die bij de chipolatas hoorde. Marco smulde.
Na het eten wou hij opnieuw in de tuin gaan voetballen. Zijn moeder raadde het af, omdat hij misselijk zou kunnen geraken in de intussen zwoel geworden temperatuur. Hij besloot dan maar om opnieuw naar de werkmannen te gaan kijken in het lommer van één van de berken die achterin de tuin stonden. De berk gaf niet enkel hem verkoeling, maar wierp ook schaduw op een stal in de tuin. In de stal borg zijn vader al zijn tuingerei op. Hij ging er binnen en kwam buiten met een spade. Hij legde de spade neer in het zicht van de werkmannen. Hij liep opnieuw de stal in en sleurde een hark mee naar buiten. Hij kon er maar moeilijk mee manoeuvreren. Een schoffel en een drieklauw, beide met lange steel, volgden. Hij naam de spade in de hand en stak ze in de grond, zo goed en zo kwaad als hem mogelijk was. Hij leunde erop, de rechterarm geheven boven schouderhoogte. De werkmannen zagen Marco’s serieuze gezicht. Ze glimlachten. Één van hen, Rudy, zijn lange haren golfden in de lichte bries, vertelde hem dat hij eigenlijk ook kon meewerken. Met al dat schone gerief zou hij het zeer goed doen, voegde hij eraan toe. Marco knikte en zei dat hij dat kon. Hij vroeg hen of hij mocht helpen. De werkmannen vertelden hem dat hij dat eerst aan zijn mama moest vragen. Marco liep naar binnen. Hij kwam terug met zijn moeder aan de hand. Ze praatte wat met de mannen. Ze sprak na lang treuzelen af dat hij daags nadien even zou mogen meehelpen. Hij moest dan wel eerst het tuingerei opnieuw opbergen. Zijn moeder nam de zware hark, waarbij ze zich afvroeg hoe Marco die ooit uit de stal had weten te halen. Marco ging nog even goedendag zeggen tegen de werkmannen. Hij zei hen tot morgen en ging toen met zijn moeder mee naar binnen.
Marco was opgelaten die avond. Hij zei tegen zijn papa dat hij nog wat ging voetballen. Zijn vader waarschuwde hem dat het raam van de stal achter in de tuin open stond. Marco moest opletten dat hij er niet tegen liep. Marco zei dat het geen probleem was. Hij ging op in zijn spel, dribbelde er op los. Hij liep zwetend de veertig meter lange tuin heen en terug. Af en toe trapte hij de bal zo hard hij kon tegen de stalmuur. Hij veinsde doelpunten, rakelings naast draaiende vrije trappen en mirakelsaves. De klok liep naar zevenen toen bij een flitsende kapbeweging het uitstekende scharnier van het stalraam zijn hoofd kerfde. Hij ging niet neer, maar wist dat hij niet verder kon spelen. Hij liep, een hand tegen het hoofd, naar zijn ouders, die binnen voor de televisie zaten. Halverwege de tuin voelde hij dat zijn handpalm nat werd. Hij dacht dat het niet meer was dan het zweet dat hem uitbrak na de inspanning. Hij zag echter het bloed over zijn palm, zijn pols en zijn onderarm stromen. Zijn voorhoofd bloedde overvloedig en druppels bevlekten zijn Rode Duivels supportershirt. Was hij daarvoor nog stil, dan zette hij het nu op een krijten zonder weerga. Binnengekomen bleef hij in de keuken staan. Hij schreide nog steeds luidkeels. Zijn vader zei dat hij het had voorspeld. Zijn moeder panikeerde. Ze droeg zijn vader op meteen naar de dokter te rijden. Bij de dokter griende Marco nog steeds. Hij beefde van angst voor de naald en draad die zijn geschonden hoofdhuid weer aaneen zou rijgen. De dokter verdoofde hem plaatselijk. Marco voelde niets van de ingreep. Hij stopte met huilen, maar snikte nog door tot hij helemaal opgelapt weer thuis was. Daar ging hij snel naar bed en sliep spoedig in.
Zijn moeder had gehoopt dat hij ‘s woensdags geen zin meer zou hebben om mee te werken aan de wegel achter de tuin. Haar hoop was ijdel. Na een goed ontbijt trok Marco zijn vuile short aan en vroeg zijn moeder om een T-shirt. Met opgeheven hoofd liep hij naar de werkmannen. Hij toonde trots de ritssluiting op zijn voorhoofd. De mannen plaagden hem ermee; dat hij zich meteen ziek wou zetten, zeiden ze. Ze vertelden hem dat de draadjes verwijderen pas écht pijn zou doen. Marco betwistte dat en maakte hen duidelijk dat hij aan de slag wou. De mannen lachten. Die woensdag harkte Marco het grind egaal over het pad. Tot in de kleine hoekjes van het pad duwde hij de kiezels. Hij bukte zich die dag veelvuldig om te zien of het grind wel echt gelijk lag. De mannen vertelden zijn moeder dat hij flink had gewerkt en dat hij de volgende dag welkom was om de asfaltlaag aan te leggen. Zijn moeder dacht dat Marco er intussen wel genoeg van had. Op donderdag volgde hij echter opnieuw de instructies van voorman Herman. Het asfalt werd waterpas uitgestreken over de breedte van het pad, aan weerskanten nog zo’n twintig centimeter grindberm overlatend.
Op donderdag, zo rond 11.00 uur, begonnen de werkmannen Marco te jennen. De grote baas zou komen kijken of hij zich wel goed van zijn taak had gekweten. Hij zou mooi rechtop moeten staan en met twee woorden spreken, alles uit respect voor de baas. In de namiddag kwam hij dan langs, hij heette Roger. Rudy en Herman vertelden Roger dat Marco flink had meegewerkt en een volwaardige ploegmakker was geweest. De baas schudde Marco, die tot dat moment kaarsrecht in stilte had staan wachten, de hand. Rudy drong bij zijn baas aan op een beloning voor de jonge werker. Roger haalde zijn portefeuille boven en haalde er een stuk van twintig Belgische frank uit. Hij gaf het aan Marco, die verlegen treuzelde over het al dan niet aannemen ervan. Rudy wist hem te overtuigen en Marco reikte uiteindelijk zijn handpalm aan, grote ogen trekkend toen Roger het muntstuk er in legde. De baas wenste de werkmannen een goedenavond, stapte in zijn grijze Volvo en vertrok. Marco hielp nadien nog het laatste stukje asfalt aanleggen. Toen dat klaar was vroeg Rudy of hij de dag nadien nog terugkwam wanneer de werkmannen het gerei zouden komen ophalen. Marco antwoordde dat hij op vrijdag zijn neefjes zou gaan bezoeken. Die verbleven aan zee. De mannen zeiden dat hij het er moest van nemen. Voor ze door gingen schudden ze hem allemaal breed lachend de hand. Toen ze wegreden wuifde Marco hen na tot ze uit het zicht waren verdwenen. Hij liep met gepaste trots de wegel door en speelde met het muntstuk in zijn zak. Toen hij de achterzijde van de ouderlijke tuin passeerde, hoorde hij in de verte de ijskar aankomen. Hij stapte naar het einde van de wegel en wachtte. Toen de kar passeerde bestelde hij een torentje met twee bollen, vanille en pistache. Hij betaalde met het stuk van twintig en kreeg er één terug van tien frank. Hij liep opnieuw de wegel in, nog steeds met opgeheven hoofd. Hij wist dat de ijskar ook aan de andere zijde zou passeren. Hij besloot na dit ijsje nog eentje te kopen. Hij wachtte er opnieuw en bestelde zich opnieuw een torentje met twee bollen, aardbei en pistache deze keer. Opnieuw liep hij de wegel in en dacht: dit is mijn wegel, Marco’s wegel. Toen hij thuiskwam vertelde hij zijn moeder dat hij twintig frank had gekregen van de baas en dat hij daar twee ijsjes mee had gekocht. Zijn moeder glimlachte en vroeg of hij blij was. Haar ogen glinsterden toen Marco bevestigend knikte.
Marco, intussen 22 jaar ouder, zit op een terras. De eerste lentezon geeft warmte, achter glas. Hij hoort een vrouw van ongeveer 45 weeklagen dat ze toch liever Leterme had dan die muilentrekker Van Rompuy. Dat ze Leterme buiten hebben gepest. Dat hij te zwak was voor de politiek. Dat ook. En dat ze in juni weer moet gaan kiezen. Dat het haar eigenlijk niet interesseert, omdat er toch niets verandert. Niets, niets, niets, voegt ze er benadrukkend aan toe. Ze gaat naadloos over op proteïneshakes. Dat ze duur zijn, maar dat je er geen honger aan overhoudt. Of ze echt effect hebben op de lijn, daar twijfelde ze aan. Marco vouwt zijn krant toe, legt ze voor zich op het tafeltje. Hij weet niet meer wat hij precies heeft gelezen. Hij merkt dat een kind duiven voedert. Hij neemt nog een slok van zijn intussen lauwe koffie, zet het halfvolle kopje terug en legt wat kleingeld op het schoteltje, fooi inclusief. Terwijl hij opstaat, kijkt hij naar de stadsduiven die broodkruim pikken dat het kind er gul had rondgestrooid. Het kind loopt intussen naast zijn ouders het marktplein over. Het draait zich telkens weer om naar de duiven, de nog niet volledig ontwikkelde wenkbrauwen geheven en de mond lichtjes open. Het is de eerste lente die het kind bewust meemaakt, lijkt het. Van hieraf aan neemt de verwondering af, denkt Marco, terwijl hij het dorpsplein verlaat.
woensdag 11 maart 2009
Abonneren op:
Berichten (Atom)