Henri zapt de Nationale Geographic documentaire “Was Darwin Wrong?” weg van het scherm. Als leraar chemie en fysica weet hij er genoeg over. De oppervlakkigheid van dergelijke documentaires gaat aan hem voorbij. Vervolgens ruilt hij de ranke dijen van Beyoncé voor een flits zwart. Henri kijkt naar de klok op zijn schoorsteenmantel. Het is een antiek stuk. Hij erfde het van zijn moeder, die de driedelige klok na het heengaan van haar man, zijn vader, als herinnering aan zijn turbulente leven een belangrijke plaats in haar woning gaf. Voor Henri is het een klok. Het is 21.36 uur. Zesentwintig minuten later passeert de trein richting Gent. Hij staat op uit zijn met groen velours bekleedde tweezit, loopt naar de keuken en giet nog een kop koffie uit. Hij hoort buiten een stemverheffing en een herhaling van doffe klappen. Hij kijkt uit het raam en ziet een man druk gebarend bellen. De man raast door woorden, meer dan door zinnen. Hij trapt en slaat een bord met het dienstrooster van De Lijn. Hij trapt tegen deuren en deukt auto’s. Na een zoveelste vloek zweeft zijn gsm laag over het asfalt. Het toestel slaat aan spaanders tegen de gevel van een onbewoond, al jaren te koop staand huis in de rij; restwaarde 1,1 are grond in het woongebied van een landelijke gemeente, afbraakkosten ten laste van de koper. De man breekt een achteruitkijkspiegel en slaat die herhaaldelijk tegen de trottoirstenen, terwijl schreeuwend dat iemand kapot zal gaan. Henri neemt een slok van zijn lauwe koffie. Hij loopt opnieuw de woonruimte in en kijkt naar de klok. Nog 14 minuten tot de trein naar Gent. Hij drinkt zijn tas koffie uit en stapt naar het toilet. Terwijl hij urineert, valt zijn oog op een bedorven klimop. Hij bedenkt dat hij die eens in de groenafvalcontainer moet dumpen. Hij stapt de nachthall door en grijpt zijn met schapenwol gevoerde denimjack, kijkt in de spiegel en legt zijn in zes dagen ongewassen halflange krullen achter de oren. Hij opent de deur en verlaat zijn appartement.
Henri banjert door de voetgangerstunnel die hem naar het perron richting Gent brengt. Hij merkt de net gespoten bendetags, noch de er hangende geur van de spuitbus op. Op het perron kijkt hij naar links en naar rechts. Links ziet hij in de verte lichtjes komen. De laatste trein die vanuit Gent in zijn dorp halt houdt. Henri vraagt zich af hoelang de trein erover doet van bij het zichtbaar worden van de voorlichten tot het stoppen aan het perron. Hij moet het ooit eens chronometreren. Hij loopt het perron in traag tempo af in de richting van de aankomende trein. Hij kijkt naar de rails en merkt dat ze er bij schamel licht minder vergankelijk uitzien dan overdag. De rails lijken dikker en de hen ondersteunende betonnen bielzen bonkiger. Hij werpt nog een blik op de intussen iets groter geworden voorlichten. Hij kan de trein nog niet horen. Hij hoort enkel de avondlijke stilte en snuift de geur van kwistig opgestookte open haarden op. Hij komt bij het andere eind van het perron en kijkt om. De trein nadert. In de verte hoort hij het belsignaal van een overweg aanslaan. Twintig seconden later zal de overweg die hij na het verlaten van zijn appartement zelf overstak ook aan het rinkelen slaan. Hij stapt naar het midden van het perron. Hij wacht. De trein uit Gent stopt. Geen passagier die uitstapt. De trein trekt op, maakt snelheid en verdwijnt achter de bocht verderop. Het dopplereffect valt hem intussen nog slechts onbewust op. Henri weet dat de trein waarop hij wacht even later diezelfde bocht zal nemen. Hij staat stil en kijkt naar de bocht. Verderop weerklinkt alweer een belsignaal. Hij ziet de lichten de hoek om komen. Even later stopt de trein met de deuren net voor Henri. Ze gaan open. Een door overgewicht geplaagde, dronken taal mompelende man houdt zich krampachtig vast aan de leuning die het afstappen moet vergemakkelijken. Hij neemt twee treden maar verliest bij de derde zijn evenwicht. Zijn hand laat onder druk van zijn overtollige kilo’s de leuning los. Hij mist de derde trede en valt. Zijn rechterschouder breekt zijn val. De man voelt geen pijn maar kreunt. Hij weet dat er iets niet juist zit. Henri kijkt naar de man, stapt over zijn kronkelende benen en bestijgt de trappen van de trappen van de trein. Voor hij de deur van het compartiment opent kijkt hij om. Hij ziet hoe de conductrice de man overeind tracht te helpen. Het lukt haar niet. Ze kijkt op naar hem. Hij betreedt het compartiment, gaat zitten in de rijrichting en tuurt de nacht in. Hij vraagt zich af waar hij heen zal gaan eens hij in Gent is aangekomen. Goed een kwartier later wordt hij uit gedachten gewekt door een blauw, zwaaiend licht. Hij vraagt zich af waarom de trein nog steeds stilstaat.
Henri wandelt van het Sint-Pietersstation naar het oude centrum van Gent. Het valt hem op dat veel cafés de deuren dichthouden deze kerstavond. Ook veel restaurants vreesden te weinig klanten en anticipeerden daarop. Af en toe passeert hij toch een kleine eetgelegenheid waar mensen aan van brandende kaarsen voorziene tafels vier tot zes gangen dineren. Hij had al sinds die middag niets gepeuzeld. De tafeltaferelen bezorgen hem echter geen honger. Hij stapt verder, wacht even tot de verkeerslichten groen slaan en steekt de Charles De Kerckhovelaan over. Hij loopt de verlaten straten door. Aan de Veergrep ziet hij een oude vrouw een Fox Terrier uitlaten. Nadat de hond zijn behoefte heeft gedaan, haalt de bejaarde dame een poepzakje boven en ruimt wat de hond achterliet. De dame merkt dat ze wordt bekeken en spoort haar hond aan haar te volgen. Henri kijkt haar vanuit de schaduw waar hij stilstond na en vraagt zich af waarom ze plots zo’n haast had. Het weer is rustig, zeker niet te koud voor de tijd van het jaar. Zelf liet hij zijn muts thuis. Hij trekt zijn schouders op en vervolgt zijn weg. Hij loopt langs verschillende cafés aan de Korenmarkt en merkt dat de cafés die de deuren openen dat pas ten vroegste om 23.30 uur doen. Zijn digitale uurwerk geeft dertien over elf aan. Hij besluit tot dan wat aan raamwinkelen te doen. Hij stopt al vrij snel voor een lingeriewinkel. Hij ziet een foto van een model met zwart golvend haar en een bruine huidskleurtint. Ze draagt een bloedrood behaatje met een wit kanten, modern bloemenmotief en een slipje in dezelfde kleur en hetzelfde patroon. Over het slipje draagt ze een doorschijnend nachtrokje. Haar bekken is sensueel naar links gedraaid, haar benen staan licht gespreid en haar blik is zo zwoel als een lingeriereclamefoto toelaat. Het valt hem op dat ze haar volle, van bordeaux lipstick voorziene lippen ook een beetje heeft geopend en een glimp van haar verblindend witte tanden toont. Hij bekijkt het model grondig. Hij vraagt zich af of een ventilator haar kapsel deed waaien en hoe die ene lok half voor haar linkeroog kon blijven hangen. Zijn oog valt op haar wenkbrauwen. Hij snapt niet dat ze zoveel tijd wil steken in het zorgvuldig trimmen ervan. Zijn blik daalt verder naar beneden en inspecteert de schaduw in het kuiltje onderaan haar hals. Hij is verbaasd over de onnatuurlijke diepte die het schijnbaar heeft. De schaduw ligt onnatuurlijk diep, besluit hij. Hij vraagt zich af hoe de belichting zat bij de fotosessie. Nog dieper merkt hij het fenomeen ook op bij haar decolleté. Daar staat de schaduw niet in verhouding tot de cupmaat. Zijn aandacht wordt even weggetrokken door een koppel jonge dertigers dat vijf meter voor ze hem zouden passeren fezelend de straat oversteekt. De donkerharige man omhelst zijn met nepnerts sjaal uitgedoste blondine. Henri begrijpt niet waarom ze hem met afgrijzen aankijken. Hij volgt hun wandel en ziet hen opnieuw de straat oversteken. De donkerharige man gluurt nog even zijn op, maar buigt al snel het hoofd en trekt zijn levensgezel dichter tegen zich. Henri richt zich terug op het decolleté. Hij draait zijn hoofd alsof dat het schaduwraadsel kan oplossen. Na een halve minuut geeft hij het op en daalt verder af met zijn blik. Die loopt over haar strakke, half verborgen buikspieren. De donshaartjes op haar buik weerspiegelen het licht. Bij de navel ziet hij dat die ook zo goed als schaduwvrij is. Hij begrijpt het lichtspel helemaal niet meer en beslist door te stappen. Tot slot ziet hij de taille van het model. Die vormt een hoek van 140 graden. Recht en puntig. Geen houdplooi die zo hoekig is, denkt hij. Hij is kwaad op wie de menselijkheid van die vrouwentaille heeft aangetast. Hij staat niet meer stil bij de opvallend lichte tint van de huid onder het nachtrokje.
Henri stiefelt de winkelstraat uit. Als hij links wil afslaan ziet hij aan de overkant een verlichte kroeg. Hij stapt er heen, kijkt binnen en duwt de deur open. Links ziet hij achter de zitbank een rekje met boeken. Van Konsalik tot Aspe, niet verder. Zijn blik draaft verder rond. Flesjes van verschillende biermerken staan overal verspreid. Hij stapt verder het café in. Dit staminee is al oud, denkt hij. De stoelen en tafels zijn typerend voor een bruin café. Hij merkt de waard op en knikt hem goede avond. De man met de grijze haren en korte witte baard wenst hem een vrolijke kerst. Henri antwoordt binnensmonds iets soortgelijks. Hij schuift een barkruk aan kant en neemt plaats aan de toog. Hij bestelt een koffie. De herbergier vertelt hem dat hij net open is, maar dat er die avond best nog wat volk zal langskomen. Hij vertelt dat de kroeg ooit van zijn ouders was en dat hij nooit elders een baan heeft gehad. Hij stelt zich voor als Karel. Henri schudt hem de hand en betaalt de koffie. Karel bedankt hem en loopt naar het achterhuis. Henri voegt suiker toe aan zijn koffie en kijkt de toog af. Links achterin, net naast de deur naar de toiletten, staat een klein aquarium. De exotische vissen erin bewegen nauwelijks. Henri vermoedt dat de oude man de zuurstofpomp best maar eens kan opzetten. Hij kijkt naar buiten de straat op, maar ziet weinig beweging. Aan het eind van de toog staat een champagne-emmer vol rozen, rode en roze. Een onhandig geschreven kaartje vertelt dat ze één euro per stuk kosten. Karel stapt opnieuw de kroeg binnen en vult enkele koelkasten op. Henri drinkt van zijn koffie. Hij vertelt dat de zuurstofpomp in het aquarium best wordt aangeschakeld. Karel kijkt op en knikt. Hij loopt er heen en stopt een stekker in een stopcontact. Even later verschijnen bubbels in het water. Voor iedereen champagne, denkt Henri. De deur gaat open en zes stamgasten treden binnen. Ze nemen plaats en groeten de kroegheer hartelijk. Hij neemt hun bestelling op, brengt hun drankjes en loopt opnieuw naar zijn plaats achter de toog. Hij haalt een foto van de kast en vertelt Henri dat de vrouw op de foto zijn overleden echtgenote is. Hij vraagt Henri met melancholieke blik of hij ook celibatair door het leven gaat. Henri knikt bevestigend. Karel betoont zijn spijt, maar Henri wuift het weg. Kerst is toch niet eenzamer dan andere dagen, vraagt hij de waard. Karel antwoordt niet, maar kijkt hem ongelovig aan. Henri wordt ongemakkelijk van de stilte. Hij besluit nog gauw een tweede koffie te drinken en dan een andere kroeg voor de nacht te zoeken.
Abonneren op:
Reacties plaatsen (Atom)
0 reacties:
Een reactie plaatsen