Deze morgen stond je te wachten op een metro die je naar kantoor zou brengen. Bob Dylan’s “Hurricane” kraste door de klankkasten. Iemand gaf je een naamkaartje. Naam, werkgever, adres werkgever. Onderaan stonden ook een telefoonnummer en een e-mailadres. “Bel me”, zei de brunette je met een zweem van ondeugd in haar diepblauwe ogen.
Nu ben je niet asociaal. Ook niet onvriendelijk. Af en toe heb je een stuurs ochtendhumeur, dat wel. Maar zelfs dat houd je niet tegen om voor dagelijks passerende gezichten minstens een hoofdknikje over te hebben. Niet zelden is daar ook een fijn glimlachje bij. Als dat al interpretatieruimte laat denk je wanneer je het naamkaartje aanneemt.
Daar sta je vervolgens, te staren naar dat naamkaartje. Van het naamkaartje kijk je op en volg je de eigenaar van die naam. Je kijkt opnieuw naar het kaartje en vandaar weer naar de wegwandelende onbekende die vraagt je te bellen. Je kijkt heen en weer tussen dat kaartje en dat steeds kleiner wordende figuur. Als ze dan eindelijk door die schuifdeuren aan het eind van de gang verdwijnt, besef je dat je midden in de gang nogal meewarig de weg verspert. Je kijkt een laatste keer naar het kaartje en steekt het zorgvuldig in de linkerborstzak van je overhemd.
Je komt als eerste aan op kantoor. Terwijl je jouw computer opstart neem je het naamkaartje uit je borstzak en legt het voor je. Je zit daar en je kijkt ernaar. Je stopt het weer in je borstzak. Je haalt een kop koffie op de gang. Je haalt het kaartje opnieuw boven. Legt het voor je. Je belt, je belt niet. Als bij het bloemblaadjes van een madeliefje trekken, daalt bij elke afweging je zelfvertrouwen af tot een zieltogend surplus. Je bent geen beller. Je komt wellicht niet verder dan “hallo”. Een rake, ijsbrekende oneliner kun je vergeten. Neen. Je belt niet. Je probeert even te vergeten hoe weinig het voorstelt, dat bellen. Het lukt je niet. Je tikt schrijffouten in die memo waar je net aan bent begonnen. Je hebt je kop koffie uit. Je haalt een tweede kop. Je gaat opnieuw achter je scherm zitten en probeert die op de vlucht slaande moed te hergroeperen. Je neemt het kaartje, neemt de hoorn in je hand en tikt haar telefoonnummer in. Net voor het laatste cijfer valt je oog onderaan opnieuw op dat e-mailadres. Je legt de hoorn op de haak.
Je opent een e-mailvenster. Je tikt “hallo”. Je vraagt je af wat je moet schrijven. Je overweegt volledig eerlijk te blijven. Je wilt haar schrijven dat je eigenlijk wou bellen, maar dat je te verlegen bent. Neen, te verlegen, dat wil je niet kwijt. Je bent gewoon geen beller, dat kun je haar vertellen. “Hallo, ik ben niet echt wat je noemt een beller”. Neen, dat is het ook niet. Teveel verlegenheid alweer. Misschien moet je het eerst even over iets anders hebben. Maar over wat? Over dat je even op adem moest komen nadat ze je dat kaartje had gegeven? Neen. Te direct, onnozel ook. Je pleurt het e-mailvenster weer dicht.
Je bent nog steeds alleen op kantoor. Je loopt naar de radio. Wat verstrooiing kan helpen. Je rug drukt de leuning van je stoel achterover. Je vraagt jezelf waarom je onschuld bevriest. Je wordt kwaad van en op jezelf. Je opent opnieuw een e-mailvenster. Je vat aan met “Hallo, ik ben niet echt wat je noemt een beller.” Zelfde twijfel. Je voegt eraan toe dat dit “je kwaad maakt”. Neen. Dat is teveel. Te negatief ook. Je gooit het venster weer dicht. Je hebt onmiddellijk weer spijt. Je diensthoofd wandelt binnen, groet iedereen en deelt taken uit. Er zit niet meteen iets bij voor jou. Je prijst je gelukkig dat het e-mailvenster dicht was.
De voormiddag vordert naar 9.30 uur. Je zit weer alleen. Je collega’s overleggen. Je doet nog een poging om een e-mail te schrijven. Je weet nog steeds niet hoe je moet beginnen. Die eerste zin is nochtans belangrijk. Neen. Die is van levensbelang. De opener bepaalt of de rest, één: gelezen wordt, en twee: of de lezer dat lezen aangenaam vindt. Je opent met “Hallo, ik ben niet echt een beller.” Drie woorden geschrapt. Dat gaat vlot. Maar spoedig begin je alweer met die starende blik van jou dat scherm te bestoken. Je vraagt je af wat je te verliezen hebt. Je gaat ervoor. Je vertelt hoe de telefoon eigenlijk een onoverbrugbare Canyon voor je vormt. Dat je beter bent met het geschreven woord. Je corrigeert: je voelt je beter thuis bij het geschreven woord. Neen. Ook dat niet. Een smoes dan maar. Dat je niet houdt van al die luistervinken op kantoor. Dat je haar daarom niet wou bellen, maar dat je haar toch zo snel mogelijk wou contacteren. Neen. Het klinkt voor geen meter. Je minimaliseert het scherm.
Na vijf minuten schrijf je toch weer verder. Je concentratie is weinig meer dan papierpulp. Je corrigeert, stuurt bij, schrapt woorden en decimeert bijzinnen. Dat had je ooit gehoord, dat schrijven eigenlijk schrappen is. Je vertelt hoe ook het geschreven woord in de weg staat. Dat je liever met haar zou afspreken voor een drankje. Tijdens de lunchpauze bijvoorbeeld. Je stelt een bar voor. Een bar niet zo ver van haar werkgever gelegen. Je schrapt de bar, maar maakt de schrapping een halve seconde later weer ongedaan. Je bent op dreef, denk je. Je plaatst ‘eventueel’ voor de naam van de kroeg. Dat klinkt minder opdringerig. Niet dan?
Misschien moet je haar vertellen dat ze mooi is. Je twijfelt. Misschien is dat er helemaal over. Ze was je op die manier ook nog nooit opgevallen. Toch niet echt. Dat zou dus onzin zijn. Je doet het niet. Je leest je bericht nog eens na. Plaatst een komma en vervangt een andere door een punt. Je hebt vier zinnen. Dat is niet veel. Maar kort en krachtig is misschien niet eens zo slecht. Beetje assertiviteit op tijd en stond. Och ja, goed zo. Druk maar op verzenden.
Wacht. Deed je nu net je ogen dicht? Neen. Of toch? Waarschijnlijk. De cursor verdwijnt weer van de verzendknop. Misschien moet je toch nog wat bijstellen. Wat kleur geven aan het geheel. Desnoods een snufje absurditeit toevoegen. Helemaal loos gaat het op dat toetsenbord. Je weet dat je een natuurlijke rem hebt. Enfin, dat denk je toch. Ruim zeshonderd woorden in goed vijftig regels. Dat lijkt er al wat op. Toch nog eens nalezen.
Je vraagt je af of dit niet te zwaarmoedig klinkt. Of het wel zegt wat je wou zeggen. Wat wou je eigenlijk vertellen? Je had geen idee wat je die onbekende wou vertellen. Of wel? Wat kun je een onbekende kwijt? Hoe ver kun je gaan? Kun je echt jezelf zijn? Misschien moet je maar weer wat verwijderen. De essentie overhouden. Misschien ook niet. Of toch? Wat is de essentie eigenlijk? Zelfs daar ben je niet geheel zeker meer van. Geklop op de deur.
Bericht verzonden.
Abonneren op:
Reacties plaatsen (Atom)
1 reacties:
Je beseft toch dat dit om een vervolg smeekt? De laatste zin is een cliffhanger van formaat. Knap verwoord hoe we allemaal wel eens achter het scherm zitten.
And on a personal note: de banaliteit van een zin als "Je diensthoofd wandelt binnen," middenin zo een tekst vind ik - zonder ironie - gewoonweg heerlijk. En ik bedoel banaliteit hier niet negatief, maar als een soort schijnbare achteloosheid waarmee je bij de lezer in slechts 4 woorden een hele context oproept.
Anyway: ik wacht vol ongeduld op een naamkaartje bis.
Een reactie plaatsen