Gisteren had ik een afspraak met een avondvullende monoloog. Beetje Spaans praktiseren. Plan: ik werd opgepikt aan de schoolpoort. Ik maakte mijn fiets vast aan een lantaarnpaal. Je weet wel, die aan de hoek van het hoofdgebouw. Ik keek rond, de laan af. Ik was een kwartier te vroeg. Al zie ik dat eerder als op tijd. Ik bleef rondkijken, ook in gedachten. De geur van verdorde maar met vocht doortrokken bladeren bracht me terug naar 1994. Ik was zeventien, jij slenterde al een jaar langer door het leven. In een omgeving vol schertsvertoon, verdrongen angst, plastieken trots en gewaande grootheid, waren we elkaars sprankel realiteit.
Aan die lantaarnpaal stond je vaak te wachten. ’s Vrijdags was je een uurtje eerder klaar met geveinsd opletten. Je wachtte tot ik, de haren losgemaakt, door de poort stapte. Ik wist dat ik, als ik naar links keek, jouw nerveuze glimlach zou zien. Je was altijd een tikkeltje gespannen. Zelden stond je zonder L&M in je hand te wachten. Toen ik om de hoek van de poort draaide, trok je snel het vuur aan in een peuk en inhaleerde je diep. Je hield dan vaak de filter voor mijn mond en liet me ook een teug nicotine trekken. Terwijl ik mijn lippen om de filter sloot controleerde je de helderheid van mijn irissen. Je zag in een sigaret een symboliek die niet alleen mij te boven ging. Je trok de sigaret terug en inhaleerde zelf nog eens, alsof het delen ervan ons dichter bij elkaar bracht. Regen, koude, wind of bevroren hemelwater; het deerde ons niet. Dat glorieus vervagen van wat om ons heen was, liet ons wortelen bij de lantaarnpaal.
Hoe het begon. We liepen samen school. Onze klassen deelden enkele lessen. Ze deelden nog wel meer. Conformisme. Wij zwommen als zalmen. We deelden onze pauzes, trokken ons terug. Ik vertelde je dat er iemand ’s nachts van je wakker lag. Je leek het niet te snappen, of je wou het niet snappen. Ik liet je raden. Je raadde niet. Ik denk nu dat je het niet wou raden. Ik drong aan. Je plooide niet. Ik hield van die koppigheid die je wipneusje deed krullen en je ogen een spiegel liet worden voor mijn smachten. De bel ging. Ik stond op. Je trok me aan mijn mouw. Je vroeg me wie er van je wakker lag. Je voegde er aan toe dat je zelf wakker zou liggen. Ik antwoordde dat ik het was. We liepen stil terug naar onze lokalen. Toen je binnen ging in één van de kleine gebouwen vroeg ik of je zou kunnen slapen. Je glimlachte verlegen. Ik keek je na tot de deur met een klap dichtviel en kwam vervolgens te laat aan. Na de schooldag wachtte je aan de lantaarnpaal. Je rookte een sigaret. Je liet me trekken.
Die vooravond praatten we lang, zittend op een bankje. Mijn fiets en jouw brommer als buffer tussen ons en wat rondom ons gebeurde. Het was november en dus fris en snel donker. Twee schoolgenoten stonden op een afstand te praten. Één ervan zat af en toe naast me in de les. Ze heette Els. Ik wist dat ze er niet zat met spieken als objectief. Ze stond daar en sprak met een vriendin. Over ons, zoveel was duidelijk. Wij spraken zenuwachtig over hen en raakten het idee ‘wij’ aan. Je porde me een paar keer tussen de ribben. Even later passeerden onze twee toeschouwers. We negeerden hen. Zodra ze om de hoek waren verdwenen, vroeg je of je me mocht kussen. Je ogen vlamden even. Je kwam dichter en een milliseconde lang waren we verbonden in een droge kus. Je keek vervolgens naar het straatasfalt en rommelde wat in je jaszakken. Je vond je gedeukte pakje filtersigaretten en nam er één uit. Je stopte de sigaret in mijn mond en gaf me vuur. Ik liet de sigaret smeulen. Je nam de sigaret over. Ik vroeg waarom ik er geen kreeg. Je greep naar je pakje en gaf me er één. Ik vroeg waarom ik de andere niet mocht houden. Je zei dat ik daar voor jou het vuur had ingejaagd. Dat je die zelf wou oproken. Je liet je brommer draaien en reed naar huis. Ik staarde je na. Het weekend begon.
De maandag die volgde was je enthousiast. Ik was koeltjes. Ik wist niet hoe ik moest aanbrengen hoe ik die zaterdag achter in het jeugdhuis met Els het net iets intenser knuffelen had ontdekt. Hoe ik je moest zeggen dat ik niet kon weerstaan aan die instant bevredigingsdrang. Hoe ik onze voorbije maanden het riool in kieperde. Maanden waarin we zij aan zij liepen bij schooluitstappen, soms achter de groep, meestal als statement ervoor. Hoe ik stilletjes griende omdat je niet doorhad dat ik dicht bij jou liep omdat ik dichtbij niemand anders wou lopen. Tegen de voormiddagpauze had je door dat het fout zat. Je vroeg me waarom ik je niet recht aankeek. Waarom ik zo stil was. Waarom ik zelfs niet vroeg hoe je weekend was geweest. Na het middagmaal wist je het. Je had gezien hoe Els met haar arm mijn middel naar zich toetrok en haar hoofd in mijn hals vleide. Ik zag dat je ons aankeek. Mijn armen hingen slapjes naast me. Sloom keek ik naar je pijn die woede werd. Ik ging voor het schokeffect. Ik duwde Els van me weg. Het rumoer om ons heen viel stil. De blikken van medeleerlingen vertelden een eigen verhaal. Je ogen waren het brandende Rome, en ik was Nero. Je draaide je om. Je liep weg, je gezicht verborgen achter je lange haren. ’s Avonds wachtte je me op. We hadden geen kans zei je, maar je wou horen wat je voor me betekende. Ik kon niet zeggen wat je voor me betekende. Je liet pijn los. Die verscheurde ook mij. Els kwam ons tegemoet. Ze ontplofte, meer naar jou toe dan naar mij. Twee vierkante meter samengepropte idiotie. Toen ze weg stiefelde wou je een sigaret opsteken. Je vond geen vuur. Ik bood je mijn aansteker aan. Je weigerde en stak de sigaret opnieuw in het pakje.
We braken niet helemaal. Spoedig brachten we samen weer vrije momenten door. Op vakantiemaandagen struinden we de markt af. Nadien verscholen we ons in een alternatieve jongerenkroeg kortbij het station. Het meubilair had er drie decennia eerder betere tijden gekend. Jij dronk Palm, ik bleef al die jaren bij cola. Je had intussen een vriend. Van hem stolen we tijd. Hij kende me vaag en was niet vol van onze vriendschap. Je vertelde me dat hij een vief kantje had. Dat we hem moesten mijden. We bleven elkaar zien met wisselende regelmaat. Telkens we afscheid namen droogkusten we. Op een marktdag blies je herhaaldelijk rook in mijn richting. Ik vroeg of je daar kon mee stoppen. Je zei nee. Ik fronste een waarom niet. Je zei dat het een teken van je verboden liefde voor me was.
Na onze schooltijd raakte ons contact in verval. We zagen elkaar goed vijf jaar niet meer. Tot onze blikken elkaar kruisten op de Lokerse feesten. We kwamen beiden het concert van Robert Plant & Strange Sensation bekijken. We praatten het voorprogramma door. Onze stemmen waren nauwelijks hoorbaar. We wisselden gsm-nummers uit. Voor het optreden van Robert Plant nam je afscheid en liep je naar de rijen voor het podium. Ik bleef trouw aan mijn plaatsje naast de geluidstafel. Na het optreden reed ik met vrienden huiswaarts. Ik ontving een sms. Je wou me zien. Die nacht nog. Ik stuurde terug dat ik op de trap naar mijn voordeur zou wachten. We reden de nacht in, door een rood licht, langs de foute kant door een eenrichtingsstraat. Je reed met me naar een uitkijkpunt over de Schelde. De motor ging af. Je greep je handtas en zocht je pakje L&M lights. Je greep een sigaret, bood mij er ook één aan. Ik refuseerde, zei dat ik niet langer rookte en dat een mens nooit zeker was of dat voor altijd was. Je draaide je raam naar beneden. Je blies de rook naar buiten. We keken naar de maan die in het westen de nacht kleurde. We reflecteerden over haar weerspiegeling op de kabbelkopjes van de rivier. Het maanlicht verbleekte naarmate de rode dageraad opdook in je achteruitkijkspiegels …
Abonneren op:
Reacties plaatsen (Atom)
1 reacties:
you've captured something very real.
Een reactie plaatsen