Wat er zich ’s nachts in ’s mensenbrein afspeelt is ook voor de wetenschap nog steeds een niet geheel ontraadseld fenomeen. Dat weerhoudt me er niet van graag te dromen. Vooral de dagvariant die vaak spectaculaire wendingen neemt, maar dat doet niet ter zake hier. Wat ik in de donkere helft van de dag echter liggend bevroed, daarvan onthoud ik zelden meer dan het idee iets aan mijn snel bewegende ogen zien voorbijkomen hebben. Blijkt er bij het krieken van de dageraad toch een restant achter te blijven, dan is het vaak niet meer dan een richtingaanwijzer. Als ik mijn bewust beleefde nachtrust niet overgeef aan nachtmerries – die ik me áltijd weet te herinneren – dan trek ik zelf graag het pak van onderwerp of gewillig lijdend voorwerp aan in een lucide droom. Niet dat het leuk is, maar er komt wel eens een vraagstuk of tweeëntwintig om de hoek loeren. Niet alleen over je eigen persoonlijkheid en je verhouding tot wat zich rond jou bevindt, maar ook over een immer evoluerende maatschappij. Niet meteen visionair, evenmin beangstigend. Wel vraagoproerend. Het ‘beeld je eens in’ gevolgd door de grote ‘wat als’ zeg maar. George Orwell, Philip K. Dick en de broeders Wachowski ontmoetten elkaar vorig weekend in een setting waarin niemand koordloos door het leven scharrelt. Ver vooruit in de toekomst of zo’n tien jaar is niet meteen relevant, al schat ik dat het drama zich eerder ergens rond 2076 voltrekt. Ik, de logische hoofdfiguur in mijn eigen lucide droom, ontving net een telegram.
Ik opende de kaarthouder en nam de informatiedrager eruit. Het ding was zowat een bankkaart groot. Ik schoof de magneetstrip door mijn persoonlijke lezer en op mijn tv-scherm verscheen de boodschap dat ‘mijn kind’ klaar was. Ik werd die dag verwacht aan de afhaaldienst. De instructie luidde dat ik me naar een teleportatiebox moest gaan en een bepaald nummer moest ingeven. Dat kon via de chip op de kaart die de boodschap bevatte. Verbaasd en niet helemaal zeker van wat ik te verwachten had verliet ik mijn appartement, ging de trap af en liep de straat op. Twee straatblokken verder kwam ik bij de teleportatiebox. Ik duwde de kaart in de gleuf en drukte de hoornloze haak in. Ik zoefde weg zonder de bestemming te kennen. Ik kwam aan in een terminal in een gigantisch gebouw.
Ik keek rond in de ruimte. De verdieping van het immense gebouw waarop ik me bevond torende boven de zwaar wegende smogwolken uit. Wolken die het straatplaveisel gijzelden en de daar wonende mensen slechts karig van zonlicht voorzagen. Door de in koepels uitlopende ramen waren de daken van andere, al even gigantische gebouwen te zien. Op hun daken kwamen teelten tot wasdom die voor het invallen van de eeuwige smog op door boeren bewerkte velden geoogst werden. De percelen strekten zich uit over de gehele horizon. Systematisch werd een perceel af en toe overkoepeld. Daaronder produceerden genetisch gemanipuleerde loofbomen grote hoeveelheden zuurstof. Die werd via pompen naar leidingen onder het straatoppervlak gestuwd. Van daaruit borrelde in zorgvuldig en minimaal afgemeten hoeveelheden de zuurstof via kleine gaten de straten in. Het was een heldere dag daarboven. Geen spat van een wolk. Het licht deed pijn aan mijn ogen. Ik liep doelloos rond in het gebouw. Een mensendrom bewoog zich individueel in een schijnbaar opgelegde richting. Niemand botste tegen een ander op, niemand sprak een ander aan. Ik vond de infobalie. Daar vroeg een dame me naar de telegramkaart. Ik gaf de kaart aan de dame. Ze ging na welke informatie erop stond en zei dat ik me naar lift drie mocht gaan zodra ik mijn naam hoorde afroepen. Naast het schuifelen van voeten en de af en toe galmende en nasaal klinkende servergestuurde omroepstem was het stil in de ontvangsthal. Ik liep naar de ramen en staarde naar buiten. Wel een halfuur lang prentte ik me het blauw van de lucht in.
Ik hoorde mijn naam echoën en stapte naar lift drie. De deuren sloten zodra ik was ingestapt. De lift kende geen teller maar daalde voelbaar snel. Goed drie en een halve minuut later openden de deuren zich. Een dame in een witte doktersjas stond me op te wachten. Ze vroeg nogmaals de telegramkaart. Ik stak haar de kaart toe. Ze duwde hem in een leesmachine. Aan het andere eind van het apparaat liep een certificaat uit de printrol. De dame gaf me het document en vertelde me dat ik het na “het innen van mijn kind” voor ontvangst moest ondertekenen en aan de bode beneden moest bezorgen. Ze toonde me de weg naar een steile, neerwaarts rollende geautomatiseerde trap. Het einde ervan was niet te zien. Ik liet me meevoeren doorheen de metalen koker. Door de beperkte snelheid duurde de tocht verscheidene minuten. Het saaie, aluminiumgrijze decor wiegde gedachten tot moes. Beneden kwam ik aan een balie die opgetrokken was uit hetzelfde materiaal. Ik gaf het certificaat af aan de bediende. Ze liep naar achter door twee klapdeuren zoals de deuren die de eetruimte van een restaurant scheiden van de keuken. Een moment later kwam ze terug. Ze verzocht me het certificaat te tekenen. ‘Het kind’ kon ik vijf meter verderop uit de lade nemen. Het had zijn basisopleiding met vrucht beëindigd, zei ze. Zijn toekomst kon in de technologie liggen. Voldoende stimulans kon van hem een succes maken. Ik tekende onbewogen het certificaat en schuifelde vijf meter verder, opende de lade en nam de achterwaarts geplaatste kinderstoel uit de lade. Het kind woog behoorlijk.
Ik draaide de kinderstoel en keek neer op de kaalgeschoren schedel van de mij toegekende zoon. Grote, leergierige ogen keken me verwachtingsvol aan. Ik vroeg hem hoe oud hij was. Hij antwoordde dat hij net zeven was geworden. Hij wilde weten of ik zijn papa was. Ik knikte. Ik vroeg hoe hij wilde heten. Met een stralende glimlach antwoordde hij dat hij Meo een mooie naam vond. Ik vertelde hem dat ook ik Meo een mooie naam vond. Hij had weinig meer aan dan een lendendoek, merkte ik. Ik legde mijn overjas over zijn lichaam heen. Buiten was het kil. De bediende moedigde me aan het gebouw te verlaten. Er wachtten volgens haar nog anderen op hun kind en ze kon slechts één ouder tegelijk verder helpen. Ik ontklikte de draagarm van de stoel en liep naar de automatische, van geblindeerde ramen voorziene schuifdeuren. De bediende drukte op een knop. De deuren schoven snel open. Daarbuiten wachtte het halfduister dat de dag van de nacht scheidt. Meo trok nog steeds grote ogen.
Meo en ik kwamen buiten. Hij keek energiek rond, terwijl ik bedacht hoe ik thuis kon raken. Ik vond geen herkenningspunt, wist niet in welke stad ik me bevond, laat staan in welk district. Ik sloeg de eerste straat rechts af en liep die ongeveer vijf minuten door. Ik had gehoopt een klerenzaak tegen te komen. Geen spoor ervan. Mijn arm werd moe van het dragen. We naderden een pleintje met in het midden een fontein. Er had in geen jaren nog water de lucht verblijd. Wat overbleef was drekkig bruin door neerslaande smog. Verkankerd water. Ik vroeg Meo of hij al kon lopen. Hij knikte. Ik hielp hem overeind te komen. Hij zei dat hij de stoel niet meer zou nodig hebben. Dat hij naar huis wou. Ik vroeg hem wat ‘huis’ voor hem betekende. Hij gaf geen antwoord. Geprogrammeerd om te weten en sentiment te bannen. Ik vertelde hem dat ik niet wist hoe er te geraken. Dat ik geen telegram had die ons beiden in een flits terug kon teleporteren. Hij vertelde me dat hij daarover geleerd had. De eerste test voor de ouder was veilig thuis geraken met het kind. Lukte dat niet, dan was er niets verloren. Een kind van een slechte ouder deugt evenmin. In het grote geheel betekent het zoveel als een verwijderde zwakke schakel. Een kind van een gefaalde ouder wordt zelf nooit ouder. Meo’s gelaat verried enige trots. Hij wist hoe deze maatschappij werkte. Ik gooide de stoel op een stapel afval van variërend allooi.
We keken wat rond. Moeders met dochters, vaders met zonen. Niemand praatte met iemand anders dan het eigen kind. Iemand die alleen de straat op ging had enkel oog voor de straatstenen. Ik stond op en vroeg iemand naar een klerenzaak, omdat ik Meo aan het najaar aangepaste kledij wou bezorgen. De man negeerde me, versnelde zijn pas. Glurend vanonder zijn dikke wenkbrauwen keek hij om bij het rechts afslaan in een donkere steeg. Ik nam Meo bij de hand. We liepen een laan in aan de andere zijde van het plein. De laan was geflankeerd met versteende bomen. Allen met een bruine bast en geknakte kruin. Aan het einde van de laan knipperde neonverlichting. We kwamen aan bij het leeggehaalde pand en zagen het verspaanderde hout van wat eens de deur was. Meo keek vragend naar me op. Neen, niet thuis. Ik kon hem vertellen wat thuis was, maar had geen idee hoe ik er heen moest. Een dame passeerde met haar dochter. Voor ik haar een vraag kon stellen, verdween ze met steeds snellere passen om de hoek, daarbij haar dochter aan de arm sleurend. Ik probeerde haar nog na te roepen maar de woorden stokten. Roepen deed je niet. Je hield je kalm. Altijd. Je stem verheffen was oproer kraaien, genoeg voor eenzame opsluiting. Iedereen zweeg of sprak enkel met wie hen toegewezen werd. Meo keek nog steeds hoopvol naar me op. Hij zag mijn intussen hangende schouders en glimlachte …
Toen besliste ik dat er maar één manier was om me van daar naar huis te teleporteren.
Abonneren op:
Reacties plaatsen (Atom)
2 reacties:
"Evenmin beangstigend"?????
Als dit de toekomst is, dan grijp ik NU naar het dichtstbijzijnde zelfdestructiemiddel. I seem to remember I have a nice selection of those. De toekomst zal "samener" zijn. Connected. Zelf geloof ik dat we het hoogtepunt meemaken van de individualistisch/paranoïde periode. There has to be something else. There will be something else. Misschien zal het ten koste van onze technologische speeltjes gaan. Waarschijnlijk wel.
"Geprogrammeerd om te weten en sentiment te bannen".Dat zijn we momenteel. Not in touch with who we truly are. Who we truly can be. De Kern is : wat we kunnen betekenen voor de Ander.
En laten we naar het Punt gaan : I like this one, I truly do. Het lijkt op een verhaal dat ik zelf ooit schreef. De teloorgang van je ware identiteit, het verlies van je eigen uniciteit. For a non-existing greater good. Maybe mine was more physical, wreder ook. Maar de poëtische inslag hier is niet misplaatst. It adds a hint of sadness, een zekere berusting zelfs. One wonders. Onze gevoelens, ons temperament ; they are wat make us Love. En op hetzelfde moment zijn ze ook volatiel, onstabiel, gevarendriehoek foretelling a crash.Wat gebeurt er wanneer je ze uit de vergelijking haalt ? Wat blijft er over van ons ? Voor ons ?
Wat geeft men op, en wat krijgt men ervoor in de plaats ?
"Het saaie, aluminiumgrijze decor wiegde gedachten tot moes" : DIT ? It's a fucking great line. But I do not buy it.
Man, you hit a nerve with this one. En ik zie er ECHT naar uit om meer van dit soort thoughtprovoking stuff van je te lezen!
There will be Love. Or there will be nothing.
Jokingsurely1 heeft een punt. Hij heeft dat wel vaker voor. Zo dus: de idee in dit verhaal is inderdaad beangstigend. De droom an sich heeft me echter niet badend in een zompig gezweet bed doen ontwaken. Het fijne aan lucide dromen is: je betaalt je borg en je bent vrij. Maar zo’n maatschappij … wel … als de dood ben ik er voor. En laat me nu ook even de neurotische romanticus uithangen. In Spanje verwacht men van de levensgezel dat hij na de bevalling zijn partner steunt. Zowat elke kamer op de afdeling materniteit heeft een éénmanszit met uitklapbaar benengedeelte. Wee de man die er de nacht niet in doorbrengt! In ons kille België krijg je blikken als clusterbommen als je om acht uur eenendertig nog op de kamer vertoeft. Is hier dan nog niemand op het idee gekomen dat kersverse moeders manlief er graag bij hebben. Koele knoert? Ik dacht het niet. Lieverd, als het zover is, nog snel even een vlucht boeken?
Een reactie plaatsen