zaterdag 25 oktober 2008

Luxe

(Gesprek tijdens lunchbreak)

“Nog eens over wat ik deze voormiddag zei.”
“Wat zei je dan?”
“Dat een auto een luxeproduct is. Of beter: dat een auto vaak een luxeproduct is. Weet je nog?”
“Oh nee! Moet je daar nou echt weer op terugkomen. Natuurlijk is het geen luxeproduct. Dat heb ik je toch duidelijk gemaakt?”
“Kijk, woorden mogen niet losjes worden gebruikt. Ze hebben een betekenis, verklaard in gerespecteerde woordenboeken. Luxe betekent zoveel als niet noodzakelijk voor levensonderhoud. Later werd daar ook het begrip beroep aan toegevoegd.”
“Voilà, bewezen. Een auto is voor veel mensen noodzakelijk omdat ze die nodig hebben voor hun job, dus is het geen luxeproduct.”
“Daar zeg je het. Het kán een noodzakelijk kwaad zijn, maar het hoeft dat niet meteen áltijd te zijn. Niet iedereen heeft die auto nodig voor zijn job. Niet iedereen is een gladde vertegenwoordiger wiens voet meer dichtslaande deurstijlen heeft gezien dan bosgrond.”
“Akkoord. Maar je moet ook op je werkplek kunnen aankomen. Openbaar vervoer is vaak geen oplossing dan.”
“Klopt. Maar dan moet je me eens uitleggen waarom veel mensen er ‘s morgens twee uur spitsrijden voor over hebben en dat op elkaar vloekend kabaal er ’s avonds nog eens bij nemen. Die wonen niet allemaal in holletjes Pluto.”
“Je moet de mens keuzevrijheid geven.”
“Ik denk dat je dat vaak zou inslikken, keuzevrijheid is geen arbitrair idee. Maar dat doet er hier niet toe. Een product verliest niet de stempel ‘luxe’ omdat mensen kiezen het te kopen. Feit is dat mensen snel wennen en zich gewillig aanpassen aan omstandigheden die ze als vooruitgang beschouwen. Stilstaan op 't viaduct van Vilvoorde is in die zin ironisch.”
“Maar je kunt toch niet ontkennen dat een auto intussen niet meer weg te denken is?”
“Nou, wie er geen heeft kan dat net wel. Ik zit er bijvoorbeeld niet mee in om wekelijks drie tot vier keer de supermarkt binnen te wandelen om boodschappen te doen. Autobezitters kunnen dat vaak beperken. Maar ik heb dat genot niet gekend en heb me voorgehouden het nooit te kennen.”
“Man, je hebt nog geen kids rondlopen. Wat ga je dan doen?”
“Een maat van me heeft een zoon. Tof kind, beetje verlegen weliswaar. Maar voor ik weer afwijk … Ze verloren hun auto. Het vroeg een aanpassing. Denk je dat het een aderlating voor ze is? Neen. Het toont gewoon het aanpassingsvermogen aan van de mens. Soms doen we daar ook iets positief mee.”
“Het zal ze toch niet meer zo gemakkelijk vallen als voorheen?”
“Neen, uiteraard niet. Maar daar zeg je het wel. Het is gemakkelijk. Het bespaart je tijd. Soms. En soms is dat een zeer valabel argument. Je kunt inderdaad bijvoorbeeld op 8km van een bushalte wonen waar eens om de twee uur een bus passeert die je aan een station afzet van waaruit het nog eens anderhalf uur sporen is naar je bestemming. Ik mag er ook niet aan denken dat je dat ook nog eens moet doen in een stoptrein. Maar enfin, het gaat me niet meteen om die mensen.”
“Om wie dan wel?”
“Om diegenen die uit lamlendigheid achter het stuur kruipen, tiens. Mensen die in de auto springen om naar de bakker op de hoek van de straat te gaan. Ze leven, hoor je me? Ze vergeten dat ze ook voor de deur moeten kunnen parkeren als ze überhaupt een pietlutlange seconde tijdswinst willen slaan uit hun ritje. En al die chauffeurs die maar mekkeren dat ze nergens nog enige snelheid uit die zestienklepper kunnen trekken. Of die al dan niet gezellige doch lamgortige dronkaards die na een avondje zwaar stappen beweren dat alcohol hen geenszins deert. Tot ze even later, bij pakweg het verlaten van het café, struikelen over een traptrede die er nooit was en op de blankgeregende kasseien hun evenwicht mogen hervinden.”
“Alsof je zelf nooit een glas drinkt! Doe niet zo uit de hoogte.”
“Dat ik zelf ook wel eens een glas lust, daar is nog weinig geheim aan. Ik stap dat half uur huiswaarts wel. En wat me stoort is het klagen, man. Het ‘ze stonden er weer. Ik mocht weer alles afgeven. Rijbewijs, sleutels. Ik vertelde die patrouille dat ik nog wel thuis kon geraken hoor, dat ik helemaal niet zo verschrikkelijk dronken was.’ Ze kunnen ze niet lang genoeg van de straat houden! Tot ze echt inzien dat die nul punt vijf tolerantie er in de eerste plaats is om henzelf te beschermen. Je zult als weekendfeestmachine op een weekdag, kraaknuchter als een damhert, maar door een scheel van de wodka kijkende mottigaard worden geschept. Lig je daar mooi. En dan heb nog je de snobs die aan dwangmatige pronkzucht lijden.”
“Tja …”
“Merk en kleur belangrijker dan veilig en zuinig. Dat type dat niet bezig is met verkeer, maar met ’t schoon volk uit te hangen.”
“Vanwaar toch die agitatie, man?”
“De gemakzuchtige waanzin van de idee dat een auto voor niemand nog een luxe is die ervoor zorgt dat alles en vooral iedereen wordt belemmerd. Het is een ironie die ik moeilijk verteer.”
“En jij, de zelfuitgeroepen Springsteen-kenner. Fan van de Amerikaan die voor de lol zijn Humvee buiten haalt, zijn land van Noordoost naar Zuidwest doorkruist, daar aangekomen merkt dat de rit zijn donkere gedachten onvoldoende wist te verstrooien en dan maar terugreed. Hij schreef over weinig of niets anders dan auto’s, snelwegen en asfalt rijk aan remsporen. Ben jij wel consequent? Jij met je collectie cd’s, je halve bibliotheek en je vier hifi- of miniketens. Lonkt je ego ook niet naar narcistisch getinte praal?”
“Ik ontken niet dat die producten in feite een weinig noodzakelijke vorm van luxe zijn. Maar da’s het punt ook. Waarom zou je zoiets ontkennen? Een alcoholicus moet dat stadium ook door. Maar oh wee, als je aan het concept van de automobiel raakt. Zo noodzakelijk als een dak en muren om lijf en leden, zo essentieel voor het leven als de vezels in brood en groente! Knetter word ik van dat heilig huisje op slijtbaar rubber. En Springsteen, tja, hij valt in die categorie, ja. Al is het ginds anders leven dan hier. Je organiseert geen openbaar vervoer tussen 367km uit elkaar liggende dorpen van veertien zielen elk en, de ironie alweer, een tankstation. Dat begrijp ik ook wel. Hoe dan ook, de auto is zijn meest gebruikte metafoor. Een weg uit het dal der sombere kansloosheid. En hij weet dat het raam neerdraaien en de wind honderden kilometers ver door je haren laten waaien geen oplossing is. Je kunt niet vluchten, je kunt je er enkel doorheen vechten. Bekijk hoe de metafoor zich over platen heen ontwikkelt en je begrijpt me wel.”
“En wat als Springsteen ergens in een weide waar in een straal van 30km geen bus of trein komt, een vier uur durend concert geeft? Zoals in zijn begindagen: totaal murw gespeeld verlaat hij het podium. Het enige concert dat je voor je dood nog wil zien. Je zult er misschien geraken, maar koppig als je bent, doe je op niemand een beroep je weer thuis te krijgen. Daar ga je toch wel spijt van hebben als je die nacht in regen en koude moet doorbrengen.”
“Ik vind er wel iets op.”
“Ja, natuurlijk, uiteraard. Een ziektebriefje voor de komende week zeker? Of, stel dat het je ooit nog overkomt, je vriendin wil met je naar zee. De laatste trein zou het plezier verbrodden, want die rijdt al om half elf.”
“Voor die ene keer boek je dan toch een hotel! Of, wanneer je die trip trouwens ’s zomers doet, dan kun je net zo goed in de duinen een kuipje uitgraven en daar de nacht doorbrengen. Kun je ondertussen nog de Grote Beer van de Kleine onderscheiden, vallende sterren tellen en ingehouden wensen prevelen.”
“Alsof ík om dat bijgeloof iets zou geven?”
“Da’s de essentie eigenlijk. Geven we er genoeg om als het er op aan komt?”
“Hoe bedoel je?”
“Eigenlijk komt het er al op aan. Ruim een vijfde van die co2 in de atmosfeer verliet ooit een uitlaatpijp. Laat iedereen het hoofd maar onder de nu nog aanwezige graszoden steken. Spoedig verzanden ook dat beetje groen in fijne, bruine korrels en ander stof. Een dagje Brussel op een weekdag en je hebt zowat een slof sigaretten aan co2 binnen. Oké, da’s overdreven. Lichtjes. Maar daar rijden ongeveer 400.000 wagens per dag rond. De meesten om mensen op hun werk te brengen, maar de inwoners pakken ook hun statusschroot voor een verplaatsing van een vaak onbetekenende 5km. Maar goed, waar trekken we de grens tussen gemak en die moordzucht die onze soort eigen is?” “Steekt de amateurbioloog in jou zijn nerveuze hoofd weer op, ja? Waarom zouden wij hier eigenlijk propere wagens moeten kopen, terwijl die oude, de straat onwaardige wrakken ginder achter in Siberië en Afrika tonnen uitstoten?”
“Waarom? Omdat we onze eigen morele standaard niet mogen verlagen, tiens. Om verandering te creëren moet je er in de eerste plaats een aanvang mee nemen. De vraag is overigens niet waarom, maar waarom niet. Het is niet omdat in een Zuid-Amerikaanse, verdoken dictatuur de mensenrechten een met de voet getreden concept is, dat wij die rechten hier ook moeten overboord gooien. Toch? Maar we wijken af. Laat ik even concreet worden. Brussel heeft een massa idioten die voor minder dan één te verwaarlozen kilometer de auto neemt. Die verplaatsingen maken een vierde uit van wat dagelijks ronddoolt. Vind je dan niet dat die klojo’s moreel verantwoordelijk zijn? Ik bedoel, we zijn hier met zijn allen het meest zeldzame dat we kennen compleet aan het opbrassen: Leven in dit heelal! En niemand die daarvoor dat toekomstig stuk schroot aan kant wil laten. Da’s geen mes in de rug, da’s netjes in de borst. Oog in oog, met het lemmet gekarteld en de pols draaiend, snap je? En je komt er niet eens zo snel van af. Dat mes gaat niet het hart in. Nee. De pessimist annex doemdenker is al lang uit me weg, maar het zou hier traag maar zeker wel eens een tweede Venus kunnen worden voor de Zon door haar waterstof zit en gaat uitzetten. Kun je voorstellen dat je achterkleinkinderen zachtjes aan wegsmelten met alles wat hen omringt? Wegsmelten is hier niet noodzakelijk figuurlijk bedoeld. Enfin, ik wil dat echt niet uitsluiten. Snap je dat dan niet?”
“Wind je niet op, man. Je bent al zo’n stressmug. Kijk ook eens naar een andere zijde, carpoolen bijvoorbeeld. Dat wordt toch al lang gepromoot?”
“Misschien al twintig jaar, ja. Enkel jammer dat niemand aan het carpoolen slaat. Oké, niemand is veel gezegd. Één op vijf wagens bevat meer dan één persoon, vaak koppels die in stilte een auto delen me dunkt. Geslaagd in theorie, dat carpoolen.”
“Rustig nou, man. Weet je nog waarover je begon? Of een auto een luxeproduct is. Kun jij even afwijken! Volgens mij zoek je gewoon wanhopig naar een manier om je reisgedrag naar zuiderse oorden te compenseren.”
“Ik heb voor zover ik me herinner nooit echt geklaagd over die brandstoftoeslag die Europa wou opleggen.”
“Da’s, wees eerlijk, ook wel compleet naast de kwestie.”
“Oké, ik geef toe, temperament is mijn sidekick. Of een auto een luxe is? Misschien moet ik bijstellen, ja. Een last?”

2 reacties:

jokingsurely1 zei

Ok Kurth, je hebt mij overtuigd : morgen koop ik een Humvee! Wil er iemand mijn privé-chauffeur zijn ? (I'm wellknown for my financial generosity)

Yves zei

't Is mij geheel duidelijk: less suicide machines, cause baby we are born to run!