woensdag 24 september 2008

Tandenbijten

8:03. Ik hou niet van afgeronde opstamomenten. Op doelloze vakantiedagen laat ik dat sowieso achterwege, die wekker. Tenzij naar het einde toe van een keten van die dagen. Dagen waarop het doelloze wat te smeuïg begint te voelen. Vandaar dus 8:03. En blèren dat het ding deed. Na de nieuws-, verkeers- en weersberichten de zoete praatjes en plaatjes die zowat elke dag het nieuws volgen. Niet zozeer het nieuws is daarbij het sleurelement. Onzin van betrekkelijk overbodig niveau. Er kon geen glimlach af. Niet in het minst omdat mijn linkeroog gebukt ging onder traag stekende hoofdpijn. Als ik daar last van heb dan heb ik dat altijd enkel links. Dat is op zijn minst gezegd beu. Geen wonder dat mijn linkeroog het minst ontwikkelde mijner beider lenzen is. Het liep er deze ochtend niet enkel pijnscheel bij, maar het hangt er ook immer lui bij. Tot het einde mijner tijd zal het ooglid daar de luiwammes uithangen. Een trek die bij andere familietakken weliswaar minder verborgen wist te blijven. Je hoort me niet klagen. Maar op een zaterdagnacht rond 02:38 die blauwe kijkers van me nog bovenhalen om bij wat vrouwelijk schoon interesse te doen ontluiken is een toonbeeld van weinig resultaatgericht denken. Enfin, 8:03 ging de radio dus aan het blèren.

Ik liep de trap af, evenwicht vindend bij de leuning. Via de nachthal en de woonkamer kwam ik in de keuken terecht. In de hoek daar bevindt zich het apothekerskastje. Recent opgeruimd. Geen spoor van een pijnstiller. De eerste vloek van de dag was een feit. Pas twee en een halve minuut verder scheurde ik een zakje met wit poeder open. De inhoud gleed in een glas. Één van die dingen waar ooit mosterd in zat, waarrond Taz achter Daffy aan zit. Ik zocht water. Enkel ijskastgekoeld. De kraan dan maar. Ik hou niet van koud water. Ik roerde het goedje om tot door het water slechts nog wazige partikels van de pijnstiller ronddraaiden. Het goedje plensde mijn slokdarm in. Een maag niet langer nuchter en toe aan een ontbijt. Een ontbijt voor de tv: the following events take place between 7pm and 8pm. Misschien goed dat hier wel afgerond werd. Dat zou anders nogal een zootje worden.

Na het ontbijt voor tv en een middellange stop in de badkamer zocht ik de enige nog werkende fietspomp die ik rijk ben. Die zat verborgen tussen aftandse paraplu’s en niet werkende fietspompen. Misschien moet ik af en toe eens iets weggooien. Geen zwak plan voor binnen goed een jaar. Enfin, banden oppompen, dat wordt moeilijker naarmate je lucht in die rubberen tube hebt geperst. En ik hou van harde banden. Ik was na twee stuks, zeg maar, pompaf. Tijdelijk weliswaar, recuperatie was altijd al een sterk punt. En ik had nog een fietstocht van 5km voor de boeg. Verdubbel dat maar, ik moest nog terug ook. Eindbestemming was een sportzaak in een nabijgelegen, recent met een waarachtig cultuurcentrum opgekalefaterd plattelandsdorp. De mentaliteit daar mocht meteen ook eens opgekalefaterd worden. Reden voor mijn verplaatsing: een paar aan mijn voeten gegoten zittende loopschoenen. Merk onbelangrijk.

Gaat u maar naar de loopband, ik stuur zo dadelijk wel iemand”, zei de overmaats verjaarde bediende aan de kassa me op zachtaardige toon en met glimlach. Ik stond er al goed 42 seconden mijn hand op te steken. Ze had mijn “hallo, goeiemorgen” niet gehoord. Ik bedankte haar en wandelde door naar achter. Ik was de tweede wachtende. De man voor me was een aantal weken eerder al begonnen met lopen. Op het strand, tijdens zijn verlof aan zee. Zo zei hij. Hij had dan maar besloten een echt paar loopschoenen – voor mensen die wat zwaarder zijn – te kopen. Hij moest dringend die rookstopkilo’s weer kwijt. De verkoper zei dat lopen daar goed voor was. Derde paar, goedkoopste paar, goede paar. Toen was het mijn beurt. De verkoper annex ergotherapeut vroeg me of ik al begonnen was met lopen of nog moest beginnen. Ik vertelde hem dat ik het type was dat eerst besliste de noodzakelijke attributen te kopen en nadien wel zag of het volhardingsvermogen eveneens aanwezig was. Hij antwoordde niets, maar vroeg me om mijn voeten op de loopband te laten stappen. Kon hij kijken waar mijn voeten steun nodig hadden. Ik kreeg een woordenstroom over me heen. Ik had nog steeds hoofdpijn, zij het in iets lichtere mate. Ik onthield dat ik een net iets minder zware voet had dan mijn voorganger. Ik kreeg eveneens drie paar schoenen. Tweede paar, best zittende paar.

Een slordige 100 euro en 5km fietsen later draaide ik de oprit op. Misschien had ik ook een loopbroekje moeten kopen. Misschien had ik zelfs helemaal geen sportief uitziende short meer. Dertien jaar geleden liep ik voor het laatst. Dat veroorzaakt twijfel als je kledij zoekt. In de kast naast mijn bed vond ik een short. Lekker soepel, vederlicht. Al is vederlicht bij 14° C geen must. Klokslag 11:59 liep ik met mijn nog blinkende schoeisel langs de schoolpoort van het peutertuintje goed vijftig meter van mijn voordeur. Wachtende grootouders in een alledaags gesprek. Ik nam het straatbeton. Lekker soepele tred. Eerst de hiel en dan de rest van de voet rollen. Dat had ik een dag eerder nog opgezocht. Om zeker te zijn. Had ik ook iets gelezen over ademhalen? Had ik beter gedaan. Een kwartier en wat ironisch bedoelde aanmoedigingen van de door de stad ingehuurde groendienst verder hadden die moedig pompende longen 50 meter respijt verdiend. Ik liep nog vijf minuten verder op mijn looppad naar de pijngrens. Stapte vervolgens de laatste tientallen meters tot de oprit uit. Cool down, heet dat dan.

Ik vraag me af of mijn lichaam zich morgen naar mijn soepelheid eisende geest zal gedragen. De kans is eerder klein. Zo’n vermoeden had ik al bij vertrek. Wellicht gedragen mijn benen zich nog welvoeglijk. De pijn zal zich eerder op onverwachte plaatsen uitstrekken. Rug, buik, schouders; lichaamsdelen die je niet zou associëren met lopen. Van dijen en eventueel kuiten verwacht je dat ze pijn gaan doen. Wellicht meer bij het afdalen van een trap dan bij het oplopen ervan. En die pijn is twee dagen later doorgaans pas aan het hoogtepunt gekomen. En dan moet je die joggers en dat shortje weer aantrekken. Dat wordt geen zicht. Vooral niet de eerste 500 meter. Dat weet ik. Ik ben nu al van plan later of vroeger te vertrekken. Hoe minder toeschouwers, hoe groter dat gevoel over dat tandenbijten. Mijn tandarts even verderop moedigt me meer dan waarschijnlijk aan als ik zijn praktijk voorbijsnel. Hij kent mijn sportverleden. Hij grijnst zich te pletter, weet ik. Een kroon meer of minder …

1 reacties:

jokingsurely1 zei

Ah, ik herinner me de rush van het lopen. Op schoeisel dat waarschijnlijk nog uit de wigwam van een negentiende-eeuwse Cherokee was komen aanwaaien. En een short die zou gesneuveld zijn in de meest premature fase van de coolheidstest. Hoe goed het voelde om de snoefhaantjes op dure Adidassen (yeah, I am talking about the Middle Ages, righty?) verloren te rennen.
Duizenden kilometers, en dat was enkel de training. Blik op oneindige horizonten that never were. En doorbijten, tot - indeed -je tandvlees erbij hing als the-thing-they-wrap-around-salami. Ik had geen stijl, nooit gehad. Mijn schouders bleven stil, mijn passen waren veel te groot. But I fuckin' loved it. Omdat je er niets anders voor nodig had dan wilskracht. "Pain Is Easy", anyone ?