woensdag 20 augustus 2008

Dialoog met een aalputmot

“Toilettime, guys”

Ik laat me van mijn van een leuning voorziene barkruk glijden, schuif het ding een dertig centimeter achterwaarts en wring me tussen vrienden door. Ik plaats de barkruk netjes terug, waarna ik mijn over de leuning hangende denimjasje ietwat recht hang. Ik begeef me vervolgens doorheen de donker ingerichte pub naar het toiletcompartiment. Ik open en sluit de deur en duw de klapdeuren naar de plasbakken voor mannen open. Ik hoor ze achter me wieken. Goed zes seconden sta ik te plassen wanneer ik de witte tegels aan de muren begin te bekijken. Hier en daar ontbreekt een stukje. Op goed 10 uur bevindt zich het stoffelijk overschot van wat ik al jaren als een fruitvlieg beschouw. Wie of wat het dier ook wou raken, het deed het maar halfgrondig. De helft van het insect plakt eeuwig vast aan de tegel, de andere dondert door gevolgen eigen aan het ontbindingsproces ooit nog wel eens naar beneden. Ik kijk weg van het tafereel. Ik zip mijn gulp dicht en laat de wieken nogmaals klappen. Ik laat vloeibare zeep mijn rechterhandpalm inglijden, onttrek met links een straal water aan de kraan en was mijn handen. Grondig zoals altijd. Ik schud de meeste druppels van mijn handen, waarbij ik er twee op de spiegel achterlaat. Ik schaam me niet. De spiegel laat al enkele dagen een ander dan realistisch beeld achter. Ik draai de kraan toe en merk dat het reservoir papieren handdoekjes bij de mannen leeg is. Ik stap dan maar richting de wasbak aan het vrouwentoilet. Met kleddernatte handen het toilet uitkomen, je kunt betere indrukken nalaten. Vandaar. Aan één papieren handdoekje hebben mijn druipende handen niet genoeg. Tussen mijn vingers kweek ik liever geen schimmels. Elders ook niet trouwens. Wanneer ik een tweede doekje uit de voeder trek gaat de deur open. Een jongedame komt de toiletruimte binnen. Ik sta tussen haar en het ontspannen van haar blaas onder druk.

“Sorry dat ik hier je tijd weg sta te palaveren. Ik ben een hygiënisch man. Ik was steeds mijn handen na een toiletbezoek. Maar de papieren handdoekjes bij de mannen zijn op, dus ledig ik die nood hier even. Handdoekjes bij de vleet”, zeg ik haar bij wijze van excuus.
“Je hebt gelijk hoor”, zegt ze lachend terwijl ik met een paar grote stappen opnieuw richting mannengedeelte stap, nog steeds mijn handen drogend.

Net als ik het handdoekje in de papiermand gooi, landt een klein insect met harige vleugels op het rechterglas van mijn bril. Net ter hoogte van de pupil, wat lastig scherpstellen is.

“Ik zag je net naar mijn neefje kijken”, begint het dier.
“Je … wat? Neef?”
“Ja, mijn neefje. Darko heette hij. Hij was drie zonsopgangen oud. Net klaar voor de wereld. Die zou hij daags nadien gaan verkennen. We wisten dat we hem na zijn vertrek wellicht niet meer zouden zien. Maar we hebben geen afscheid kunnen nemen … "
Ik hoor de spoelbak van het bezette vrouwentoilet spetterend leeglopen.
“Ik begrijp je”, klinkt het bij het geleedpotige dier. “Als je niet voor belachelijk wil versleten worden omdat je tegen een motmug staat te praten, dan kun je best even mee die deur binnenduiken. Een man die schijnbaar tegen zichzelf staat te praten, wordt zelden als nuchter, laat staan psychisch in orde ervaren. Ik heet Branco trouwens.”
“Eh … Aangenaam. Een eh … hoe zei je? Een motmug?”
“Ja, een motmug. Wow. Hou je in! We behoren misschien wel tot dezelfde taxonomische onderorde, maar we hebben bitter weinig gemeen met steekmuggen. We maken zelfs niet dat protserige zoemgeluid. En we concurreren de door jullie soort ronduit gehate steekmuggen weg in stilstaand water. We hebben overigens ook een mooiere, zij het iets langere officiële naam: aalputmot. Hoe dan ook. Volg me.”
Branco maakt ongewild slalommend rechtsomkeer naar het mannentoilet. Ik volg hem het mannentoilet in. Hij hangt ondersteboven tegen de muur achter een plasbak. Een tegel of drie naast zijn onverwacht, maar vermoedelijk zonder lijden gestorven neef.
“Darko had één probleem. Of beter, twee. Motorisch beperkt in onze vleugels zijn we allemaal. Die haartjes, weet je. Maar hij was daarnaast trager dan de gemiddelde motmug en hij zag niet zo goed uit zijn ogen. Hij had geen kans.”
“Alsof jullie die ooit zouden hebben.”
“Hij zag niet dat een kolos van een hand kwam aangeraasd. De hand was afkomstig van een onbehouwen kerel. Één die niet eens een overdreven hoeveelheid alcohol had gedronken. Dat verbaasde me. Je ziet hier wat langskomen. Vijf zonsopgangen geleden ontkwam ik maar net aan een voorover vallende en alles behalve de piscine onder plassende dronkelap. Oké. Ik bestudeer jouw soort graag, en het risico nemen om op de muur voor hem plaats te nemen, daar kon ik niet onderuit. Het was een te mooie kans. Maar Darko, die had gewoon pech. Ik denk niet dat die lomperd echt besefte wat hij deed. Hij plantte gewoon, zomaar, de zachte kant van zijn vuist tegen de muur. En daar hing Darko plakkend tegen de tegels. Ontdaan van verwachtingen die volgens velen onder ons voor een motmug sowieso te hoog gegrepen zijn. Ontdaan van de wens te overleven in een wereld die nog vijandiger is dan deze.”
“Nou … eh …”
“Ik vergeet nooit die grijns op het gezicht van de kolos. Hij waande zich onoverwinnelijk. Zo erg zelfs dat hij naar de wasbak liep, zijn kapsel in vorm legde en zonder zijn handen te wassen opnieuw het café betrad.”
“Hij was allicht niet de oorzaak van het tekort aan handdoekjes dan.”
“En dan weten dat die bacteriën op zijn handen zo behaagd worden door ons. We hebben dus ons nut, maar zijn easy targets voor snelle wezens als jullie.”
“Wat is dat eigenlijk met jullie en toiletten, badruimtes en andere douches? Kunnen jullie er niet gewoon uit opkrassen. Omdat we niet zo dol zijn op klein ongedierte hangt jouw neef ginds.”
“Dat eerste speelt zich af op moleculair niveau. Wil je niet weten. Het tweede is zowat hetzelfde als zeggen dat jullie op de zeebodem ook nog voldoende ruimte vinden.”
“Da’s daar anders lichtjes onleefbaar.”
“Voilà.”

De deur gaat open. Er stapt een knul van net geen twintig de toiletten binnen. Branco verdwijnt in een bovenhoek. Ik voel kleur opzetten op mijn wangen. Voor die kerel met zijn krullen stond ik net een gesprek met lucht te voeren. Ik passeer de jongeman en bekijk een seconde of wat later mezelf in de spiegel. Even maar. Ik trek een frons, draai me vervolgens om en stap het café opnieuw binnen. Maar niet voordat ik mijn hand tot heuphoogte breng en ongemerkt tot later gebaar. Terwijl Branco zich ver weg houdt van menselijke arm en schouderhoogten verzink ik alweer in alledaagse gesprekken. Over Plato’s grot en aanverwante onderwerpen. De gesprekken klonken me na mijn toiletbezoek lichtjes in de oren als niet van deze wereld.

1 reacties:

jokingsurely1 zei

"Leven en laten leven" of zoiets ? De kwetsbaarheid van het zachtaardige wezen, en hoe het machteloos staat tegenover de brute kracht van dom geweld ? How we all occupy the same space, and have to try to get along, even if it is in our nature to devour ? Het ruimte laten aan de ander ?

Of het pure hersengespin ? The talking to oneself ? Het betere imaginaire gedruis ? De echoes van je zenuwmembranen ?

Vragen. Enkel vragen.