Ik heb een nors bakkes. Geheel naturel. Één blik is genoeg om mensen de muren op te jagen van angst. Dat is overigens niet zo heel efficiënt, muren oplopen. Maar kom, geheel nadelig is zo’n nors bakkes dus niet. Vooral ’s morgens durft het al eens heel pragmatisch te zijn. Ik bedoel, neem er die roodslaperige ogen bij. En die nog niet ontspannen lachspieren. Dat nors bakkes wordt er geen doetje door. Zo zat ik er wellicht ook deze donderdagochtend bij op de trein, waarop het trouwens hoegenaamd niet merkbaar is dat we intussen einde juli schrijven bovenaan een brief. Blijkbaar zijn niet enkel vliegreizen duur geworden, maar vakantie tout court. Vroeger kon je die twee zomermaanden in stilte doorbrengen. Een bank volledig voor jezelf. Eventueel kon je je rugtas op de bank tegenover je plaatsen. Ruimte zat. Zo was pendelen eigenlijk echt een beetje reizen. Anno 2008 ben je echter beter op tijd aan het station.
Doch dat nors bakkes, daar ging het over. En dat het ’s ochtends volstrekt geen nadeel vormt. Enfin, je slaat pagina twee om van een nog geheel ongelezen boek. Je merkt meteen dat twee vlotte grijnzen per bladzijde nog zo geen slecht gemiddelde is. De eerste verrukking van de dag is een feit. Een halve pagina en een ingehouden lach verder gaat de elektronische schuifdeur naar het volgende rijtuig open. Een ander nors bakkes komt binnen en zet zich voor me neer. Graait in zijn tas een boek te voorschijn. Hij worstelt met de flap, die richting vloer dwarrelt. Het duurt goed een halve minuut eer hij die flap weer rond het boek krijgt. Een boek over visionair metselen. Wellicht iets in de grootorde der vrijmetselaars, getuige de symbolen op de voorflap. Zijn geworstel stoort niet. Hij weet ondanks de drukke, onhandige gebaren de decibels te beperken tot een minimum. Het is echter die namaak pot en het lawaai dat het ding voortbrengt dat me doet opkijken. Of: wat je opkijken noemt. Ik kijk over de rand van mijn brilglazen naar de oortelefoon in zijn linkeroor. Digitaal ge-hi-hat en ge-basdrum dreunen erop los, maakt van het compartiment een dansclub voor lelijke oude venten en wijven die teveel red bull vodka’s op hebben en niet overweg kunnen - of net wel - met het zintuiglijke verlies dat ze daardoor lijden. Een feestje voor idioten lijkt het. En als je weet waar ‘idioot’ zich bevindt op de intelligentieschaal. Het ergste is niet het feestje dat zich in zijn hoofd afspeelt. Het erge is de 6.58 uur die het uurwerk schuin over me aangeeft.
Mijn blik op het linkeroor verlegt zich naar de ogen van de luisteraar. Zonder twijfel hard: als een nine inch nail ramde die blik het netvlies van de jongeman tegenover me. Ik had me eerder die ochtend overslapen. Twintig minuten lang blèrde mijn wekker zich de pleuris. Ik heb een nadrukkelijk aanwezig onbewuste. Ik wil nooit wakker worden wanneer The Cure muzikaal aan het rampetampen gaat met de kenmerken vervelend en saai. Én ronduit depressief. Dat vormt zelden een geslaagde combinatie. Maar 6.17 uur schreeuwt om recht veren - ondanks The Cure. En dat zorgt min of meer meteen voor een stressmoment. Oortelefoons die te luid kwelen zijn dan niet wenselijk. Dat zijn ze eigenlijk nooit. En terwijl mijn blik boorde kwam het antwoord. De linkerhand van de mid-twintiger ging richting broekzak, greep daar het mobiele muziekspelende sujet van mijn venijn en naar beneden ging het volume. Verdomd handig, die norsheid. Meteen ook weer een sociale daad gesteld. Ik ben ongetwijfeld niet de enige die meer last had van rondzwevende decibels dan de getormenteerde trommelvliezen van de luisteraar.
Mijn nors bakkes is tevens een bewijs van Darwin’s evolutieleer. Mijn vader kenmerkt zich eveneens door die tankwaardige bepantsering voor dat ongetoonde hart. Het is er nochtans één, dat hart. Maar goed, als nukkig klein mensje ben je daar niet zo mee bezig. Wat precies weet ik niet meer, maar dat ik regelmatig naar een hoek van 90° staarde omdat ik het mispeuteren maar niet verleerde, dat staat me nog vers voor de geest. En vader lief moest niet eens zijn hand heffen. Neen, die blik maakte duidelijk dat het ernst was. Begrijpend lezen, was ik ook op de schoolbanken goed in. Soit, als ik ooit deel uitmaak van een huwelijk, dan brengt dat familieleden met zich mee. En logischerwijze: familie die ik niet hebben kan. Dat wordt geen al te best resultaat wat uitnodigingen voor etentjes rond de jaarwisseling aangaat. Dan toch maar dat totaal niet relax three-piece met bijhorende stropdas kopen.
Kinderen reageren doorgaans ook zeer verfijnd op mijn tronie. Niet zelden schuilen ze voor al dat onweer achter papa’s steunbeen, daarbij een angstige vinger de mond in duwend - snel terug naar die zorgeloze orale fase van het bestaan! Ik doe nochtans moeite een glimlach op dat jonge gezichtje te brengen. Bijvoorbeeld door mijn toot te dwingen te lachen of wat aan het jongleren te slaan met die opvallend heldere ogen van me. Maar nee hoor. De ene jammerklacht na de andere. En dan zie je papa kijken alsof je zijn kleine spruit een trauma hebt opgeleverd. En dan kijk ik terug: nee man, het is je kleine die mij zonet een trauma in herinnering heeft gebracht. Vroeger, toen ik zelf nog kleiner was dan een meter, ging het op dat vlak beter met me. Er was bijvoorbeeld die speelgoedwinkel aan de Oude Vest in Dendermonde. Mijn ouders voorzagen mij ter plekke wel eens van nagelnieuwe Lego-blokken of andere geinigheden. Die opvallend heldere ogen van me hadden een onuitstaanbaar charmerende uitwerking op de verkoopster, een dame die toen achter in de veertig was. Dat leverde me regelmatig een zakje knikkers op; piraten, smurfen of planeten en dies meer. Ik was dan ook de schattigheid zoals gedefinieerd in het betere woordenboek. Ooit met een bos zwarte haren geboren, kreeg mijn tooi vervolgens verschillende kleuren, tot blond toe. De kapper zorgde voor de rechte froufrou die net boven mijn wenkbrauwen halt hield. Tegenwoordig lopen kids er wat hipper bij, maar goed. Blinken dat die ogen van me deden! Ook op foto’s. En dan die glimlach bij het zien van dat zakje knikkers. Geen wonder dat ze me meermaals een zakje gaf. Nu laat ik een baard staan, getrimd op stand 2. Zo blijven die ogen helder, en ziet de ongemeende hardheid zich enigszins verzacht. Maar wat de verkoopster destijds niet wist, was dat het zakje met die mieterige pink panther knikkers meteen als ruilmateriaal gold voor andere glazen bolletjes. Nors, niet waar. Ook toen al.
Abonneren op:
Reacties plaatsen (Atom)
1 reacties:
"Soit, als ik ooit deel uitmaak van een huwelijk, dan brengt dat familieleden met zich mee". Hallucinante zin, man, really! Zeeer mooi stukje, dit. "Helder", zou ik haast zeggen. En qua wodka/Red Bull-madammen : wie dat drinkt, verdient enkel venten met een "zwetend gat".
Een reactie plaatsen