zondag 20 juli 2008

Kaartlezen

Het wordt een gewoonte. Ik in Gent. Tegenwoordig zowat wekelijks. Gent in mij. Ook dat meer en meer. Een week kan lang zijn en visies aanreiken. Héél andere visies. Tot vorige week was dat stekkie kopen een illusie. Maar in je thuisstad heb je het gehad, en je wilt persé een andere blik op die kleine wereld van je. “Kurth vindt dat de horizon van Dendermonde te kortbij ligt”, zei een goede vriend pakweg twee maanden terug. Wel, de horizon wint genadeloos terrein en raakt intussen de stad aan die rond deze tijd vooral bezig is met haar feesten. De 165ste al. Op de eerste zaterdag ervan kwam ik in Dampoort-station aan. Jaren geleden deed ik dat voor het laatst via deze meest logische invalsweg voor het oude centrum. Het weer was grauw, de kans op een drijfnat makende pleurbui zou bij een bookie geen hoge winstmarge opleveren. Ideaal weer om een blik te werpen op de buurt waar je heel misschien gaat wonen.

Kaartlezen. Het is één van die dingen waar ik met ongeziene klungeligheid in uit weet te blinken. Of beter: in uit wist te blinken. Wat ik zelf uiteraard al lang had bedacht, werd me niet zo lang geleden heel eenvoudig in herinnering gebracht. Alles hangt uiteraard af van hoe je de kaart houdt. Maar mijn hoofd is nu eenmaal een complexe warboel. Ik loop niet zelden een andere kant op dan die ingegeven door wat in de volksmond ‘het verstand’ heet. Kaarten leiden tot doelen. Je mist daardoor vaak wat van het pad afwijkt; het enigszins exotische. Vandaar ook dat ik bij het bezoeken van onbekend gebied, bijvoorbeeld op vakantie, eerder intuïtief aan een verkenning begin. Je laat los en ervaart meer. Je komt waar je als toerist een vreemde verschijning bent. Je reisduifinstinct zorgt er wel voor dat je uiteindelijk belandt waar je moet zijn. Maar deze zaterdag in Gent las ik dus wel even kaart.

De trein die via Lokeren Gent binnenreed passeerde de haven. Het zet niet meteen de toon die je van de dag verlangt. Wanneer je de drie treden van de treintrap afdaalt, en voet zet op het perron dan valt op dat onze nationale spoormaatschappij ook hier eens mag investeren. Niet dat het er overdreven ellendig of verloederd bij ligt. Neen, maar wat al opgeknapt werd, mist een ‘touch of class’ die grotere, gerenoveerde spoorstations wel hebben. Buitengekomen ga ik de spoorwegbrug onderdoor en via het Antwerpenplein richting Dendermondse Steenweg. Om zonder veel bochtenwerk te geraken waar ik zijn moest, kon ik deze verkeersdrukke winkelstraat best aflopen en de straat van mijn doel inslaan. Daar komt immers op de grond van wat nu nog een wagenbedrijf blijkt te zijn een nieuwbouwcomplex met 17 wooneenheden – wat benoemen ze het toch mooi tegenwoordig. En in eentje ervan heb ik dus flinke trek. Maar de Dendermondse Steenweg was me te woelig. Dus liep ik al snel Nieuwhof in.

De straat waar ik nu woon was ooit rustig. Intussen is het een sluipweg die ondanks het plaatsen van logge, regelmatig sneuvelende bloembakken steeds meer verkeer te verwerken krijgt. Wat me frappeerde was de rust die het straatje meteen kenmerkte. En bij de volgende hoek, draaide ik rechts de Brunaustraat in. Daar hetzelfde beeld. Rust in volgebouwd stedelijk gebied. Hier komt niemand die er niet thuishoort. Letterlijk. De Doornakkerstraat, met rechts het Heilig-Hartplein, liep ik gretig door, want de hele tocht ging vanzelf. Ik keek één keer op mijn kaartje, eerder bij het inslaan van Nieuwhof. En goed tien minuten na het verlaten van het station sta ik voor een met bouwaanvragen beplakt raam. Ik draai rond. Geen idee waar het zuiden is. Wolken maken mijn natuurlijk kompas waardeloos. Maar ik blijf staan gedurende zo’n drie minuten. Ik tel de wagens die er langs komen. Twee waren het er. Ik loop vervolgens de straten in de buurt in en uit. Zo ook de van hobbelige kasseien voorziene Oscar Colbrandtstraat. Deze kruist de Sint-Baafskouterstraat en loopt dan dood aan het Rozebroek. Als ik de website van de stad mag geloven, dan komt hier één van de grote stadsparken. Voor mijn part laten ze het zoals het is. Beetje verwilderd en daardoor nog natuurlijk. Minder menselijk. Aangelegd groen laadt sowieso minder snel batterijen op. Of denken ze daar in het stadhuis dat de Caldera de Taburiente op het Canarische La Palma ook door mensenhanden werd uitgegraven? Enfin, op nog geen vijf minuten een groene oase kunnen induiken heeft voordelen.

Na nog wat andere straatjes inslaan, sfeeropsnuivend en groeten uitwisselend met passanten, nam de wolkendreiging donkere vormen aan. Misschien moest ik maar eens de zekerheid van een schuilplaats opzoeken. Die zou ik in dit gedeelte van Sint-Amandsberg onmogelijk vinden, een buurt die een impressie gaf van aan de gang zijnde opwaardering - als één begint zijn gevel op te kalefateren volgen anderen. Dat viel vooral op in de Wasstraat, waar twee schijnbaar typisch eind negentiende eeuws, in u-vorm gebouwde arbeidershuizenrijen de charme zelf waren. Waar zich vroeger in het midden wellicht één gemeenschappelijk toilet bevond, speelden nu een zestal kinderen van multiculturele afkomst. Samen. De minituintjes voor de huisjes zorgden voor kleur in wat ooit een dominant vaalzwart gevoel moet hebben gecreëerd. Het toverde meteen een glimlach op mijn gezicht.

Terug aan het station scheurde de hemel zich in goed enkele minuten open om haar opbeurend blauw te laten neerdalen op de feesten. Via Steendam was het vanuit mijn startpunt in Sint-Amandsberg slechts twintig minuten stappen tot aan Sint-Jacobs. En dan zit je al gauw ‘in the very center of things’. Tijdens de Gentse feesten is dat een massa mensen met een glimlach op het gezicht met hier en daar een fietser die geconcentreerd een super-G tussen hen door zigzagt. Ik bezocht via de nodige omwegen en met het doorkruisen van de openingsparade de plaatsen waar ik moest zijn. Ik stootte na een ongepland bezoek aan De Slegte – waar ik onder andere een mooi pinguïnplaatjesboek kocht – op onbevangen ten gehore gebrachte aria’s. Twee jongedames, allicht verbonden aan het plaatselijke conservatorium, gaven een concert voor drinkgeld in de met zuilen gedecoreerde entree van een universiteitsgebouw waar voornamelijk plechtige proclamaties blijken door te gaan. Ik bleef ruim tien minuten kijken en luisteren, grabbelde toen in mijn achterzak, selecteerde wat munten en stapte na een behoorlijk lange, zichtbaar vermoeiende aria de straat en dropte ze in het zwart-wit gekleurde hoedje, ondertussen mijn lichtgroene Beatle-esque pet bij wijze van groet lichtjes van mijn schedel heffend.






Rozebroek: parkje op slenterafstand?

0 reacties: