Na wat enigszins zomer op zijn Belgisch leek, dreven via weersvooruitzichten een hele week lang dreigende, Mordoriaanse wolken het luchtruim van dit groene, Lage Land in. Midweek draaide het dan. Het voelde als een ontzetting. Vrijdag zou de zon heersen. Een dag eerder snotterde het in de hemel, en in je neus. “Zomergriep? Bestaat zoiets ook al?” vroeg je verwonderd nog aan een collega. “A bad omen”, denk je dan enigszins verontrust maar niet panikerend. Je wachtte jaren op het commando, en dan rukte je uit. Impulsief plaatste je die order. En dan … gedulde je nog wat. Want je had tijd, omdat de dag zou komen.
De dag opent zijn ogen. Je bent suffer dan daags voordien. Je spendeerde nog een lusteloos halfuur boven de bril. Zomergriep dus. Rond negen stap je toch die al voor driekwart gevulde luxe vierwieler in die je goed zeventig kilometer later afzet op groene, nog vastzittende en fris gekleurde weidegraszoden. Kwart over tien, zegt je goed twaalf uur later in je armhuid achtergebleven horloge. Geen nood aan de geseling van die hooded sweater. De korte mijl die tussen jou en de poorten ligt is een aaneenschakeling van op lediging wachtende thermossen en vaten. Vermoedelijk in die volgorde. Ontbijtkoeken en ronduit vadsige kermiskost. Ook in die volgorde misschien, al twijfel je daar aan. Je zag zelden iemand op dat relatief vroege uur een broodje zwartgekruide barbecuesaté met veel overtuiging binnenwerken. Je geeft aan jezelf toe dat je een verdomd preutse leek bent op dat vlak. Je eigen ontbijt was grondig, deels Brits van aard. Je maag vertelt je dat het tien uurtje dat je met snelle zorg prepareerde – twee flinke scheuten suikervrije chocopasta vluchtig open smeren op evenveel sneetjes halfbruin brood – een late brunch zou kunnen worden.
Het stappen gaat verder na het ontbijt van je reisgezellen. Ruw geschat drie minuten na de koffie schreeuwt hun waterige mond om iets dat de gelegenheid noopt: een eerste pintje. Zelf hou je het bij iets waarin een calorie een even onbekend verschijnsel is als licht in de Marianentrog. Je hebt de dag door te komen. Eventueel tegen het eind als wankelende halfdode, maar een zetje hoef je dat proces niet te geven. Ook nuchter doet het. Je ziet niets dan totaal ontkomen aan het gedonder dat werkweken lang je hoofd draineert. Ontspannen tot glimlachende gezichten. Mooie al dan niet getaande gezichten. Ze kruisen je, passeren je, komen je als in een stilstaande seconde tegemoet. Ze vertellen een allegaartje aan talen.
Je arriveert aan de poorten. Gesloten. Het duurt nog wel even, weet je. Je maakt een praatje, kijkt rond. Geeuwt eens. Je vraagt je af of je die rugzak nou helemaal ondersteboven moet keren of niet. Het deert niet. Een al dan niet verwachte controle kan jou toch onmogelijk deren. Je hebt zelfs geen flesje water mee, laat staan iets dat als net ietsje straffer bekend staat. Het wachten duurt langer dan even. Het geluid van hamer op vastzittend metaal klinkt en je fronst. Je maag is het levend geworden symbool van je verveling. Misschien toch die plakken maar aansnijden als een te vroege lunch. Minder bagage is sowieso niet erg. Wat binnen in je is, nemen ze je ook niet meer af. Verschillende blikken slaan net niet aan het benijden. Kamperen met een gerantsoeneerde portefeuille waaruit drievierde al vervlogen is. En nog evenveel vierden te gaan hebben. Tja.
De poorten ontsluiten. Mannen links vrouwen rechts. Een flauwe herinnering aan niet meegemaakte horrorjaren. Prioriteiten zijn het reserveren van maaltijden en dranken en een korte verkenning. Nu het nog kan. Nu je je nog niet voelt als een passievlinder in een termietennest: lichtjes outplaced. Onderweg bots je op van zachte walkussentjes voorziene ogen. Dit is dag twee voor die diepbruine kijkers. Een praatje later gaat het verder. Een wafel? Nee, hoewel je dieet al om zeep is, kan je niet overdrijven. Mooie grijze, piramidevormige tent om de hoek, daar neem je omstreeks 13.55 uur nog wel eens een kijkje. Eerst even met zijn allen de picknickbank op. Nee, je hebt geen honger, ook geen dorst. Laat die ingewanden even bekomen van de schrik van de reeds verleden ochtend. Één voor één staan ze op, je gezellen, elk gedreven door eigen neigingen naar maagverderf. Een koude hotdog gejast in een mak broodje gaat traag een grimas binnen. Een beteuterde blik betoont medelijden met een mager uitgevallen hamburger. Een bakje friet gaat druipend onder de nauwelijks aangestreken vlok mayonaise en sliert ketchup alweer de ongemerkte, doorzichtig blauwe vuilniszak in.
De actie begint en je ziet verwachtingen vervallen tot bedenkelijkheid. Kakofonische uitspattingen – niet enkel van het rijkelijk aanwezig pluimage van uiteenlopende leeftijden – bezorgen de schaduw van de tentzeilen een onaangename … bijklank. De zon vraagt om je gezelschap. Je kan haar onmogelijk weigeren. Zoals velen die na maanden binnensmuurs de eerste overdaadpatronen op hun huid vertonen. Een dutje doen is kleuren. Een moment van totale desinteresse zorgt voor een Oosters gerecht, zij het op een Spaanse lunchuur. Halfpittig gekruide bamigoreng met vijf stuks mini-loempias. Weerstaan? Nah, toch maar niet. Na verorbering een goedkeurend ‘mja’ en een overtuigd ‘tot straks’ laten horen. En je keert weer die avond, zij het aan een andere eettent. Net iets minder goed, maar nog steeds weinig verderfelijk. En dan, op het eind van de dag toch die laatste reservatie gestand doen. “Dat dieet”, denk je plots, “daar heb je volgende week nog wel wat ruimte voor”.
Daags nadien vallen je seleçao-gekleurde sneakers je op. Ze fluoresceren haast. Je zag ze gisteren ook, in een kleinere maat aan jongere voeten. Met een laag dofbeige, aangekoekte leemmodder eromheen. Je zag ook stoffen schoeisel, waarvan na vier dagen wellicht niet meer dan vod rest. Goed om die afgevallen fietsketting weer op dat kamwiel te leggen. Laarzen, gehouwen uit massieve slang, stevige maar slanke en rank bewegende onderbenen omsluitend. Je hoofd zweeft even terug. Zomergrieperige symptomen plooien je vervolgens dubbel. Je gaf jezelf uitstel, voor die twee-en-nog-wat helden die de dag voordien maanden eerder al in een agendamarkering om hadden gezet. En nu wacht de bank. Je hoopt wat kussens op en kijkt wat extended editions van roadtrips uit andere tijden en andere plaatsen. Een beetje zoals die gepasseerde dag, waarbij je at in met de wind aanwaaiende vlagen mestgeur.
Abonneren op:
Reacties plaatsen (Atom)
2 reacties:
"twee-en-nog-wat-helden" : Verve, Young en de nog wat is dan Slayer ?
Hier zit zoveel subtiliteit in, dat ik ettelijke zintuigen tekort kom om alles naar waarde te kunnen schatten.
Slayer? Nope, de begeleidingsbands van de twee 'frontmannen', en dan vooral Nick McCabe, 'Bittersweet Symphony' heeft die man zeer hard nodig.
Een reactie plaatsen