Zo kort de ochtend dichtbij is, zo lang duurt het moment tussen het licht uitknippen en het slaap vatten wanneer gezoem opdoemt vanuit de linkerhoek van je slaapkamer. Zuchtend vraag je je af waar je die blauwe verdelgingspilletjes gelaten hebt. Schijfjes die geurende gifdampen vrijgeven vanaf een door elektriciteit verwarmd plaatje. Eigenlijk doen ze weinig meer dan giftig geuren. Daarom: ook het licht aan. Boekje erbij en doen alsof er niets aan de hand is. Intussen houd je sluw in de gaten wanneer de demon van de nacht neerdaalt. Het deed denken aan een week in Denemarken, een land met meer moerassen dan sneetjes smörrebröd. Daar draaien ze cirkels tegen het plafond tot hun honger een ware doodstrijd inleidt. Als kamikazes storten ze zich vervolgens neer op de ontblote delen van je lichaam. De kunst is: onderscheppen. Net voor de landing trekken ze nog even op, zoals een parachutist de laatste schok breekt door even de stuurlijnen aan te trekken voor ze definitief te vieren. Op dat moment grijpt je hand met een instinctmatige reflex en verpulvert het in wezen onooglijk dier dat je die nacht anders negen, daags nadien jeukende bulten had bezorgd. Het einde is niet altijd poëtisch.
Vol zelfgenoegen trek je de stekker van het gifbakje uit, stop je die bladwijzer weer tussen de pagina’s die de volgende ochtend het verhaal verder zullen zetten. Het licht flitst dicht. Ook op je netvlies. Je hoofdkussen vleit zich rond je hoofd en je ademhaling temporiserend, verglijdt je aandacht van de ene wereld naar de andere.
Een oude man slentert door de tijdens zijn leven in een bijgebouw aangelegde kunstgalerij. De gang is als zijn vermoeide geest: nauwelijks verlicht. Hij houdt halt bij een doek van twee hoog en vier breed en plaatst zijn linkerhand naast de linkerlijst. Hij bekijkt het werk dat hem afstoot omdat het hem zo nauw ligt. Een Romeinse jongeling staart naar de blauw glimmende horizon die achter de uitlopers van zijn met wijnranken doorstoken helling aan een Helleense eilandkust het begin en einde van zijn verwachtingen vormt. Hij kijkt neer op de druivenplukkers die de oogst binnenhalen. Met zijn linkerhand zoekt hij steun bij een van de pilaren die het met gele rozen omgeven bordes omsluit. De andere rust op zijn heup. Het is kort na ontbijttijd. Het badhuis en zijn leven wacht. Maar hij verroert niet tot de laatste blaken van de dovende zon. Dan gaat hij te bed. De ogen geopend. De seizoenen schuifelen aan hem voorbij, terwijl hij steun vindt bij een statige zuil.
De oude man stapt verder en gooit de massief eiken deur die de gaanderij scheidt van de achtertuin open. Hij kijkt uit op de metershoge met wilde wingerd begroeide muur die rondom zijn woonruimten ligt, wat er buiten ligt wordt aan het zicht onttrokken, ook de lentezon. Hij loopt er langs, raakt ze berustend aan, strelend bijna. Hij volgt het platgetreden gras naar zijn schrijfkamer met raam op het noorden gericht, neemt een pen en een nieuw inktbuisje. Het vorige, nog halfgevulde buisje gaat blauwe vlekken makend de vuilemmer in. Hij ordonneert de sloop van aangevreten bakstenen en loszittende metselspecie. Twee seizoenen verder behoedt een restant ervan wat dan zijn archief is voor wat snijdend uit het noorden komt aangewaaid. De vrije hoeken van zijn domein baden in een gulle najaarszon.
Het besluit de hoge muren niet langer behoeders voor de weerbarstige grillen van de natuur te laten zijn, werd de oude man ingefluisterd door zijn bloed, dat een brug wil bouwen tussen hem en de in sterren gedrenkte bergen die hem omringen. Terwijl de grondkleuren van de omliggende hellingen van roodbruin tot wit vervlokken, verhuist hij van kamer naar kamer op het ritme van de zon. Wanneer die moegebrand zwaarte wint en de maan haar beperkte tegenwicht prijsgeeft, geurt het kaarslicht als gele rozen; lauw nostalgisch. Hij stapt door het portaal, loopt tot waar de patio op heide stuit en staart naar de maanverlichte toppen voorbij de grenzen van zijn land. “Kort na ontbijttijd”, doorspeelt zijn gedachten…
Abonneren op:
Reacties plaatsen (Atom)
0 reacties:
Een reactie plaatsen