Je hebt van die weken. ’s Ochtends slaap je achttien minuten door je wansmakelijke popsongs blèrende wekker heen. Je weet die ogen te openen. Moeizaam. Je dwingt je hoofd zich te heffen om te achterhalen wat het storende element is dat je nachtrust anderhalve seconde eerder weinig zachtaardig aan gruzelementen pleurde. Je hoofd valt weer neer op je kussen. Één woord duikt als pijnlijke herinnering op: maandag. Het begin van een vijf dagen durende reis naar dat moment waarop die digitale, radioactief-groene cijfers op het display van geen of toch weinig belang zijn. Je linkerbeen draait volgens traditie eerst uit bed. Het rechter volgt, zij het met iets meer tegenzin. Je kamerjas heeft er evenmin zin in en zorgt naast je bed voor een partijtje worstelen Grieks-Romeinse stijl. Je slaagt erin op de been te blijven en die peignoir te bedwingen. De eerste overwinning van de nieuwe week. Niet dat de wedstrijdjury onder de indruk was.
Bevond de badkamer zich maar op de eerste verdieping. Met een hoofd vol slaapwandelende neuronen een 90° draaiende trap afdalen vereist die jarenlang opgebouwde routine. Het doorslenteren van de woonkamer en keuken en een pitstop aan het toilet liggen tussen je nauwelijks wakende toestand en die bundel van verkwikkend warme waterstralen. Eens er weer vanonder gestapt, ontwaar je de pasteltinten van de badkamermuren en het binnenvallende daglicht. Deze dag kent geen wolken, vermoed je.
Dinsdag en woensdag herhaalt het patroon zich. Al beperken zich de doorslaapminuten dat de wekker geen vat heeft op die nachtelijke wereld die doorgaans zoeter is dan die waarin je zintuigen indruk na indruk verstouwen naar dat summiere en selectieve archief dat je geheugen is. Hetzelfde ritueel in een zowat identiek ritme. Strompelen, plasje wagen, hygiëne. De fietsrit naar het station die volgt wisselt naar gelang de richting van waaruit de wind zucht of briest. Het al dan niet kunnen zitten op de trein hangt af van het te vroeg arriveren van andere lijnen. Als avondmens hangt dat niet kunnen zitten niet van jezelf af, je vertrekt sowieso nipt. Met een beetje geluk – zoals je dat dan noemt – kun je dat kleine, stille compartimentje delen met de vaste, zwijgende gezichten. Je duikt in de literatuur of lectuur die op dat moment de bron van je geestelijke bemoeienissen vormt. Af en toe lift je je hoofd voor een blik op die krantenkop rechts van je, helemaal over het gangpad heen. Of je probeert een glimp op te vangen van de titel van het boek dat de jongedame in het wit schuin links voor je leest - wat maalt ze die bladzijden verschroeiend hard om.
En dan, wanneer het weekend bijna om de hoek ligt, zijn er niet enkel de pasteltinten en onbewolkte hemels, maar zowaar ook de poëzie des levens. Je bent weer nipt vertrokken en weet dat de rode aan en uit knipperende lichten betekenen dat die P-trein die binnen een kleine minuut voorbij zal razen uit Mechelen komt. Je wacht. Kijkt achter je. Naar die wagen die luid een overbodig popnummer laat horen.
Een grijze duif komt aangevlogen en landt op het in het ochtendzonlicht glanzende, gladbereden railmetaal. Blijf zitten dier. Dit is het spoor richting Mechelen. Je bent veilig. Als je de zuigkracht van het nog onzichtbare, metalen gevaarte dat intussen komt aandaveren weet te weerstaan tenminste. Maar ratten van de lucht zijn niet bijzonder opmerkzaam, noch pienter. De trein dendert steeds dichter, terwijl de duif de wachtende rij auto’s, fietsers en één solitaire voetganger in aanschouwt. Eerst met het rechteroog, vervolgens met het linker. De trein duikt op vanachter het stoffige struikgewas dat het zicht van het publiek beperkt. De duif spot de trein, die intussen tot op zo’n kleine tien meter genaderd is. Als toeschouwer lees je de paniek af van de krampachtig te snel slaande vleugels. Het dier wint nauwelijks hoogte en de wind zit bepaald niet mee. Richting rijrichting gaat het. Je denkt: ze haalt het net. Straks scheert ze op topsnelheid richting die fiere populieren die sinds je vroegste herinneringen langs de spoorlijn staan. Stil moedig je haar aan. Maar als de trein haar kruist, dwarrelen vier veren boven de trein uit. Door de luchtverplaatsing die de trein veroorzaakt, heeft de zwaartekracht er even geen vat op. De tijd staat stil voor hen.
Je sluit even de ogen. Zo vroeg op de ochtend zoveel gruwel. Het herinnert je aan waarom je CNN niet mist in het kabelaanbod. De laatste wagon van de trein komt voorbij. Je verwacht een karkas of bijna-karkas op het asfalt. Het hoofd buigend bedank je de boom-car achter je al om, indien nodig, te voorzien in een snel eind. Maar er is geen spoor van een ex-duivenlijf. Ook niet links of rechts van de overweg, tussen de keien en de spoorwegbills. Er is enkel die ene nog sereen dalende vleugelveer als herinnering aan een dier dat in een oogwenk de eeuwigheid van jouw eigen leven in werd gevaporiseerd.
Abonneren op:
Reacties plaatsen (Atom)
2 reacties:
"zoveel gruwel zo vroeg op de ochtend" doet me denken aan Carvers' "So much water so close to home", so that's a good thing. Ook het heroïsche gevecht met de peignoir is het vermelden waard. So you are a peignoir-person! Dat wist ik niet, zelf ben ik meer een Adamskostuumpersoon (yeah, you probably did not want to know that...).
Maar, all kidding aside, alweer een mooi stuk man. Keep ringing those true bells!
Welwel, mijn blogstatistieken toonden mij enkele bezoekers van 'Kurth's Windmill'. En kijk, 't is Kurth :-).
Heb je meteen op mijn blogroll gezet. Fijn projectje, zo een teksten op het net plaatsen. Je vindt hier maar weinig echte teksten meer.
Mooi filmlijstje trouwens, op je pofiel. Lijkt me een ideale filmweek voor een jeugdhuis of zo, ik zeg maar wat.
Een reactie plaatsen