woensdag 18 juni 2008

Braak

Driemaal per week twee verdiepingen stijgen. Versterkers vanonder stofdoeken halen, kabeltjes aansluiten, de vingers loswerken. Ik herinner me de zomerse koelte van de geïsoleerde zolderkamer – eierdozen, ja, maar enkel voor de deur, de rest was ‘kosten noch moeite gespaard’. Die koelte betekende op kleffe dagen een weldaad voor lichaam, en misschien ook een beetje voor de geest. Al weet die thans van toeten noch blazen. Wat niet veel meer is dan hij vroeger wist van de praktische zijde van muziek. Onlangs kwam hij te weten dat ‘acht noten in een octaaf’ zelfs niet volledig klopt. Flink balen als jaren later dat al eigenhandig ter zijde geschoffelde ego toch nog een vermetele natrap krijgt.

Veertien moet ik geweest zijn. Eens ik als student aan het Koninklijk Atheneum ergens de helft van een zomervakantie zou hebben kunnen opofferen aan een zonder twijfel oninteressante job, ging die zwart-witte Fender Stratocaster de mijne zijn. En die Marshall 150 watt combo ook. Of nee. Toch maar die Ibanez eens bekijken. Het doel was immers: Steve Vai achterna. Hoog grijpen in het leven is niet altijd slecht. Op een paar essentiële vlakken is het een morele plicht. Maar gitaren bleken twee jaar ouder mijn ding niet meer te zijn. Dan maar de bas. Vier snaren. Da’s eenvoudiger, dacht ik. Toch voor weinig sierlijk en evenmin slanke vingers als de mijne. Een bas ronkt wanneer je aan die snaren pulkt. Als je aan dat pulken een richting weet te geven, tenminste. Nog twee jaar later sleurde ik uiteindelijk een keyboard die twee verdiepingen naar boven.

Ruim anderhalf jaar aan het al genoemde werkritme later flansten we als vijftal een demo met vijf songs en een intro in elkaar. Op een luttele acht uur en evenveel sporen blikten we de hele 32 minuten in. Vet klonk dat niet, dat hoeft geen betoog. Maar goed, we hadden een demo met een danklijst. Zo’n danklijst is belangrijk. Je gooit er allerlei namen in van mensen die geen sikkepit toevoegen aan je leven, die bijvoorbeeld in Godvergeten dorpen in Scandinavië wonen. Van die lui die je ooit eens een brief schreef met vijf of zes dollar in. Voor hún demo, die ook nooit verder zou geraken dan onmiddellijk vergeten worden. En dat is hun enige verdienste om in je lijstje te geraken. Sneller dan jezelf een demo op de markt hebben. Toegegeven. Hier en daar heb je eens iemand waarmee het schrijfgewijs klikt. Daar hou je dan wel echt contact mee. Hoe dan ook, namedropping, het kan van pas komen. En dus denk je als puber even lang na over deze futiliteiten als over hoe je een nummer iets kunt meegeven zodat het niet de geboren vergetelheid zelve wordt. Lijstjes zijn belangrijk.

Na de demo, het podium. Niet dat we met die demo optredens gingen shoppen, zoals dat heet. Neen, we organiseerden ons enige optreden gewoon zelf. We stelden een fijne affiche met lokale en minder lokale bands samen en plaatsten onszelf niet als opener, maar als tweede act. Ego, nog zoiets belangrijk als je 18 bent. Tien jaar verder schiet daar gelukkig geen spaander meer van over – doch: verwar ego niet met trots, daar heb ik nog plenty van. Soit. Bij de soundcheck stond ik al met het schaamrood op de wangen. “Ik hoor mezelf niet door die monitor”, herhaalde ik enkele keren tegen de geluidsmensen. Tot ik merkte dat ik op een fout geluidseffect stond. Zo’n onhoorbaar detailding, weet je wel. Sorry folks, my bad. Anyway, optredens trokken destijds nooit echt veel volk in het plaatselijke jeugdhuis. We hadden een al bij al prima uitziende zangeres. Lang zwart haar en mooi gezichtje, net 17 geworden. Jonge mannen vinden dat wel fijn. Dat scheelt om de halfvol gelopen zaal ook halfvol te houden. Toch bij aanvang van het concert. Halfweg onze show slaagden we met verve om nog slechts voor een vijfde van de aanwezigen te spelen. Je zou het ergens legendarisch kunnen noemen. We namen nadien een break. Lange breaks zijn beter dan korte.

Het was niet het enige combo waar ik mijn schier onbestaande talent liet horen. Er was ook nog dat zondagnamiddagproject dat dienst deed als katerverwerkende dagvulling. Ik kende toen nog niets van alcohol, de rest van ons allegaartje doorzakkers des te meer. Hoe hoofdpijn en een maag die erbij ligt als Ground Zero reageren op teveel decibels, ik ontbeer alle notie, maar het leek hoe dan ook te werken. Na een uur of vier toch. Enfin, ver kwamen we niet. Een gelegenheidsoptreden voor de verjaardag van een neef was zowat het enige wapenfeit tijdens de periode dat ik de zondagnamiddagen opvulde met ellenlange jamsessies. Echt componeren deden we immers niet. Al hadden we wel een hit kunnen scoren in kringen waar muziek een levensnoodzakelijk hypnoticum betekent. We ramden ooit zowat 45 minuten lang dezelfde gitaar- en industrieel resonerende toetsenriff het lokaal in. Voor een buitenstaander klonk het wellicht als pokkeherrie, maar het moet zowat het beste geweest zijn waar ik de verwaarloosbare muzikale kundigheid die me genetisch werd toebedeeld ooit aan heb geschonken.

Toen werd het tijd om die toetsen buiten te gooien. Toetsen zijn voor sissies. Of zo. Of ik ooit het geld gezien heb van die verkoop kan ik me overigens niet meer herinneren. En dat had toen nog niets te maken met mijn nu vooral te onpas falende geheugen. Maar goed, ronken en fijne grooves toveren was de nieuwe piste richting podium. Dus: de bas. Goed vijf maanden na mijn nieuwe tweedehandse aankoop vertelde een vriend me dat zijn band geen bassist meer had en dat hun zangeres wel cool zou staan met een bas rond haar lijf. Female fronted punkrock. Dat werkt, zo’n vrouw vooraan. Enfin, ze wou de bas – zwart-wit trouwens – een korte periode lenen. Ik zei die vriend: “Houden maar. Het ding herinnert me aan wat ik niet ben. Ze staat hier al maanden. Letterlijk.” De bas gaat nog steeds mee naar optredens overal in het land. Dat moet intussen zo’n 8 jaar zijn. Toen ik die bas uit handen gaf, wist ik dat ik niet langer vasthield aan wat eigenlijk nooit een aanvang had genomen. Dat woorden me iets beter lagen, dat licht had ik nog niet gezien. De jaren die volgden op het inladen van de bas bleef de akker die creativiteit heet braak liggen.

1 reacties:

jokingsurely1 zei

"de geboren vergetelheid zelve". Yeah man, yeah! Dat beeld heeft alles, zij het vooral "gebore", "vergetelheid" en "zelve".
Dit schrijven swingt als het Glenn Miller-epitaph "In The Mood". Never mind the musical bollocks. I seem to detect a heart here, een ding dat lichtjes hunkert naar things gone by en lichtjes verlangt naar things to come. I must be getting soft. Nice man, nice.