vrijdag 30 mei 2008

Een kwartier geduld

Donderdagavond. Eenentwintig uur veertien. Murw geslagen door Indefinido’s, Participio Pasado’s en andere Perfecto’s. Spaans in avondonderwijs. De enige tweeëneenhalf uur studietijd die ik er voor kan – en tegenwoordig wil - vrijmaken heeft plaats in een klaslokaal met als voornaamste kenmerk opgebruikte lucht die concentratie laat zwijmelen. Na afloop is het telkens even tijd voor niets.

Zowat vijf kwartier later wil ik mijn stamkroeg en vrienden verlaten voor een relatief vroege avond te bed. Ik heb nog een halfvol flesje mineraalwater te gaan. Genoeg tijd om een kwiet met een Puch-helm rond de arm de deur te zien openen. Hij kijkt rond en ziet in mij blijkbaar de ideale gesprekspartner. Wie zich aan me opdringt zonder enige tact en reservatie krijgt meestal slechts die (terecht) afwijzende blik als antwoord. Soms zeg ik al eens iets meer. Maar toen ik zijn van articulatie gespeende klankenbrij onderbrak met een nochtans merkelijk geïrriteerd en halfbitter “Word ik verondersteld jou te kennen?” bleek dat geen stilte in zijn mond te leggen. Na een hoop banaliteiten over veel meegemaakt te hebben in zijn leven - “meer dan jou” - kwam de beschuldiging dat ik ooit ‘gerief’ bij hem had gekocht. Right. Een synopsis van een kwartier geduld.

En toen ze een week na hun inval terugkwamen. Ze hebben niets gevonden. Geen drugs. Niets, zeg ik je. Een week later kwamen ze terug. Toen stonden wij daar met vijftig man. Zeker vijftig. En we hadden honden. En toen namen we wraak.”
Wellicht waren het schuimbekkende, op amfetamine zittende, muilkorfloze dieren. Maar dat detail wou ik niet horen. Nog minder wat er ‘die week later’ eigenlijk gebeurde.
Weet je. Wraak is een prima concept gebleken voor een paar mastodonten van films. Maar ik maak geen films. Ik hoef stoer gezever als dit niet. Als je het hierover wilt hebben, fine, maar ik heb er geen oren naar.
Slechte stijlkeuze. Dit ging er nog minder in.
Je bent een Picard. Jurgen Picard.
Euh… Neen, ben ik niet.
Jij werkt toch ook bij ’t stad, hé. Jij bent een collega van me.
Neen, ik ben niet degene voor wie jij me houdt.
Dan ken ik iemand die op jou lijkt.
Da’s mogelijk. Zo lopen er wellicht nog wel een paar rond.
Weet je, die spots die normaal het stadhuis belichten. Ik heb die in de grond gestoken. Ze gaan altijd kapot. Slechte lampenkeuze zei ik hen, maar ja, daar luisteren ze niet naar. Om gans rond te raken tot aan het justitiepaleis ben ik twee weken bezig geweest. Dík twee weken. Ze zitten diep in de grond.
Ik weet nada van lampjes, nog minder van de elektrische draadjes die hen van voltage voorzien en hoe diep ze in de grond zitten behoort tot mijn dood niet tot mijn kopzorgen.
Jij houdt van blues.
“Wat?”
Absurd. Ergens broertjes Coen-esk. Niet dat ik iets tegen blues zou hebben. Integendeel.
Dat je van blues houdt. Zouden ze elk jaar iets moeten rond doen. Hier op de Grote Markt. Één keer per jaar. Da’s genoeg. En de Markt, verkeersvrij, gans de zomer. Dat vind ik goed. Dat doet me echt plezier. Verkeersvrij.
Dendermonde is zo dood als een verteerde vijg. Geen bluesfestival dat daar iets aan kan veranderen. In geen zeshonderd jaar krijg je er hier nog leven in.
Een vriend draait zijn hoofd, kijkt naar me met een hulp aanbiedende blik. Ik poneer een fijne grijns op mijn gelaat. Alles onder controle. Geduld is fijn. Gaat die snuiter toch wel tegen hem verder.
Da’s tof, hé. Kom ik hier binnen en kom ik hem tegen.” Hij wijst naar mij. “Blij dat ik je ken.
Hij concentreert zich middels een klopje op mijn schouder opnieuw op mij. Mijn vriend draait bedenkelijk fronsend het hoofd.
Jij bent wel heel snel blij. Maar je kent me eigenlijk helemaal niet. Voor jou ben ik een onbekende vreemde. Da’s een tautologie zonder weerga, en toch ook weer niet.
Toen ik nog een vrouw had, ging die achter mijn rug met een ander. Een maat van mij. Nu niet meer.
Dat is het leven. Die dingen gebeuren”, onderbrak ik hem.
Jij bent mijn maat. Dat is het leven en foert zeggen? Met jou kan ik klappen.
Dat wil ik niet gezegd hebben, dat foert zeggen. Hoewel nu ...
Als ik jou morgen tegenkom, dan spreek ik jou meteen aan. Zo goed is mijn geheugen. Mijn geheugen is goed. Dat is mijn sterkste punt. Ik onthoud. Jij bent mijn maat.
Mijn geheugen filtert. Kan je niets beloven op dat vlak.
Ik trek een sous-pull aan, vergaar rondslingerde gadgets, zip mijn rugzak dicht en gooi hem op mijn rug. Nog een prettige avond wensend, schud ik handen en zoen ik wangen.
Allez, als ik je morgen zie, dan drinken we een pint, hé.
No!
Waarna mijn rug de deur dichtte.

Goed. Eenzaamheid is een vies ding. Ik maakte er deze donderdagavond nogmaals kennis mee. En ik weet het: at some point zijn we allemaal eenzamen, wachtend om gevonden te worden. Maar ik heb geen tijd voor het zelfmedelijden van onbekenden. Nog minder heb ik zin me aan te passen aan mensen waar ik niets tegen te zeggen heb. Misschien klonk ik minachtend tot ronduit denigrerend. Trots ga ik er niet op zijn, maar soms ken je snel wie je niet wilt kennen.

2 reacties:

gunterprise zei

you rule, mijn vriend. respect zeg!!

nog een kwartier later. ik betreed de grotto aan de dode denderarm. Een zoen voor catherine, warme handdruk voor tom en joris en tim. En ik krijg er één ongevraagd. Een zielige figuur tussen stoof en toog. Doffe ellende vermoed ik op zijn levensloop en ik voel medelijden met de schimmige duivels die zijn fantasie bevolken. Gevangenen zijn ze van de waanzin die zijn ziel regeert. De horror die zich afspeelt aan de andere zijde van zijn ogen. De arme drommels.
Hij : hee, lang geleden. Ik : ken ik u ergens van, vriendschap? Hij: gramcvlb dfreekjlen seretogeh. Ik : klinker zijn erg belangrijk bij verbale communicatie, fonemen om woorden te vormen, de rest is voor het para-linguïstisch kanaal.Hij GRMMKLBN TSEZRRESQR.
Vrienden : rustig , wij houden niet van ambras.
Ik : Maar ik wel, ik ben van lebbeek.

arme kerel. maar hij kon mijn vriend niet zijn. ik heb mijn genetische achtergrond tegen. van lebbeek weet je.

jokingsurely1 zei

Zeer fijn stuff, man!
Mijn glockenspiel kan dit in hoge mate waarderen. Eenzaam ok, maar wel selectief eenzaam. Wij zijn niet de emotionele vuilnisbakken van dit hersendode boerengat. Maar we zullen wel de archivarissen zijn...