Dendermonde. Mijn stad. Niet míjn stad. Het is gewoon de stad waar ik woon. Al dertig jaar. Daarvan vormen de eerste twee derden de kindertuin. Het laatste derde daarentegen stemt tot nadenken. Want Dendermonde is een Kinks-song getiteld Dead End Street.
Toen ik terugkeerde uit Spanje – dit klinkt alsof ik echt emigreerde - overviel me zowat meteen de troosteloosheid die deze kleine provinciestad en een deel van haar inwoners zo eigen is. Het sociale leven, niet onbelangrijk als barometer, kabbelt hier niet meer. Het zinkt in een vermodderde en langzaam uitdrogende poel. Hoelang al is het bijvoorbeeld geleden dat Dendermonde me nog eens een boeiend ‘nieuw’ gezicht leerde kennen? De laatste grote verbazing moet de komst van enkele Oost-Europese meisjes geweest zijn. Die hebben zich intussen gezellig genesteld in een grote groep van vrienden en kennissen - een groep van mensen die, de één al wat meer dan de andere, het leven in Dendermonde al jaren kleur geeft. Maar dan hebben we het intussen over drie jaar terug ...
Dendermonde is in feite niet meer dan een flink uit de kluiten gewassen dorp, mentaliteit incluis. Je kent er iedereen, vooral wie je niet wilt kennen. En hoewel de meute fijne vrienden die ik heb echt wel fijne vrienden zijn en ik ze voor niets of niemand wil inruilen, ontbreekt er iets. Een uitdaging die verder gaat dan het inbeelden dat de Grote Markt even hard tot de verbeelding spreekt als haar grote voorbeeld, de Plaza Publico in het Italiaanse Siena … Die uitdaging is niet zozeer een doel, meer een gevolg: het uitgedaagd worden door wat en wie tegen je lijf botst. Gedwongen worden die geest open te stellen. Gedwongen worden indrukken te verwerken. Dendermonde heeft ook een gebrek. Een grondig zelfs. Er na 30 jaar nog mensen tegen het lijf lopen die de benen onder je heupen uit tackelen, je fundamenten herschikken en je vervolgens onthutst achterlaten; de kans is niet denkbeeldig maar veel kleiner dan in steden die in de middeleeuwen en recenter het platteland wel wisten te ontgroeien. En ik ben iemand die regelmatig zo’n flinke trap onder de krent nodig heeft. Een stimulans om nieuwe horizonten aangereikt te krijgen, te verkennen en te doorgronden. Een flinke vingerwijziging om niet te verzanden in die tamme troosteloosheid. Een vlakke hand die rood achterblijft op mijn beider kaken.
Toegegeven. Dendermonde is niet de slechtste plaats om te wonen. Charme en ligging zijn bijvoorbeeld behoorlijk oké. De vraag is hoelang ik er nog wil blijven, terwijl ik elders misschien meer op mijn plaats zou kunnen zijn. Of me daar in ieder geval (tijdelijk) beter op mijn plaats zal voelen. Meer en vooral beter uitgedaagd. Als ik me de vraag stel wat ik aan Dendermonde zou missen dan hebben die ‘onmisbare’ aspecten allemaal een mobiel karakter. Ouders en vrienden. Dat is het zowat. En niets dat me verhindert zelf mobiel te zijn, zoveel is duidelijk.
Dan is de vraag nog waarheen. Wellicht blijft in Belgenland enkel Gent overeind. Antwerpen is te verdeeld en Brussel is … Brussel; fijn voor een avondje stappen, maar als vaste stek ook niet meteen mijn dada. Het buitenland? Tja, meteen alle zekerheden overboord gooien, dat werd nu ook niet in mijn genetische structuur ingeschreven. Maar Dendermonde, ik stel me vragen. En het zijn niet die vragen waarvan het antwoord gunstig uitdraait voor jou, een stad waarvan het aantal scholen, de historie, sportcomplexen en gunstige ligging zich vertalen in pretentie, maar die verder vooral uitblinkt in uitermate gewoon zijn. En 'gewoon', da's als stagnatie …
Tbc.
Abonneren op:
Reacties plaatsen (Atom)
2 reacties:
Vervang Dendermonde door Tienen, en uw column blijft overeind. Niettemin: keep up the good work!
"Gewoon" stinkt naar de Zwarte Pest. De troosteloosheid van het mentale en emotionele indommelen. I will not miss DM. Not for one bloody second.
Een reactie plaatsen