woensdag 11 maart 2009

Marco's wegel

Zomer 1986, maandag 7 juli. Marco was acht, groeide naar de negen. Zijn zomervakantie was een week ver. Die ochtend was hij aan de hand van zijn meter mee de markt afgewandeld. De zon sprenkelde licht en warmte over zijn kleine provinciestad. Hij droeg een beige zomerjasje en een kaki kniebroek met carreaux motief. Hij kreeg van zijn meter als vroeg middageten een hamburger, rijk belegd met van bakboter glimmende ajuin en tomatenketchup. Nadien had hij dorst. Maar hoezeer hij ook klaagde en snikte, een frisdrank zou hij pas later krijgen, wanneer zijn meter haar vier jaar oudere marktvriendin zou opzoeken in taverne De Vest. Toen ze Marco’s gejammer beu was zei ze kortaf dat hij maar van de plassen op de grond moest drinken. Die waren die nacht bij een warmteonweer gevormd. Marco zweeg toen, ook in taverne De Vest, waar zijn meter de weetjes van de week uitwisselde met haar vriendin. Marco dronk er met een strootje een cola.

Op die maandag voetbalde Marco niet in de ouderlijke tuin. Dat deed hij normaal elke dag wanneer het weer geschikt was. Hij was de Drievuldigheid Ceulemans, Gerets en Pfaff in één. Hij was echter te moe van de lange wandeling die voormiddag. De markt doen was toen al gauw zes kilometer slenteren langs kraampjes waar de koopwaar wel interessant was, maar niet nuttig, laat staan noodzakelijk. In de late namiddag deed hij een dutje op de sofa in de woonkamer. Hij had dan ook geen idee dat die namiddag stadspersoneel allerlei werkgerei was komen afleveren. Daags nadien zou de wegel die achter de tuin van zijn ouders liep worden ontdaan van onkruid en andere flora. Er moest een geasfalteerd pad komen. Dat zou de doorgang tussen de twee straten die het wegeltje verbond niet enkel mooier, maar ook gebruiksvriendelijker maken. Er passeerde in die periode zelden nog iemand. Modder van herfst tot lente, snel oprukkend gras en brandnetels in de zomer en breedte overbruggende kruisspinnenwebben vormden een alliantie. Groot was dan ook Marco’s verbazing toen hij die dinsdag bij het betreden van het gazon rond tienen achterin de tuin beweging zag.

Hij trapte eerst wat rusteloos tegen zijn bal en gluurde constant naar de achterzijde van de tuin. Wat gebeurde er? Waarom was hij niet op de hoogte? Hij liep naar binnen en vroeg zijn moeder wat er gebeurde, wie die mensen waren. Zijn mams vertelde hem dat de werkmannen het pad gingen opknappen en dat hij zich dat niet moest aantrekken. Hij mocht volgens haar gerust verder voetballen. Hij ging opnieuw de tuin in. Naarmate de beweging zich over de hele wegel verspreidde, groeide zijn nieuwsgierigheid. Die werd tegen de middag zo groot dat hij de bal met een flinke trap de achtertuin in keilde. Hij liep er achteraan, pakte zijn bal en stak hem onder zijn linkeroksel. Hij bekeek de werkmannen en wat ze deden. Ze groetten hem. Hij groette verlegen terug. Na vijf minuten toekijken ging hij opnieuw een paar keer dribbelend de tuin door. Hij vond het niet mooi van zichzelf dat hij hen daar in stilte stond te bekijken. Zijn moeder riep hem even later voor het middageten. Er stond een bord spinaziestomp klaar, keurig met een putje in het midden voor de jus die bij de chipolatas hoorde. Marco smulde.

Na het eten wou hij opnieuw in de tuin gaan voetballen. Zijn moeder raadde het af, omdat hij misselijk zou kunnen geraken in de intussen zwoel geworden temperatuur. Hij besloot dan maar om opnieuw naar de werkmannen te gaan kijken in het lommer van één van de berken die achterin de tuin stonden. De berk gaf niet enkel hem verkoeling, maar wierp ook schaduw op een stal in de tuin. In de stal borg zijn vader al zijn tuingerei op. Hij ging er binnen en kwam buiten met een spade. Hij legde de spade neer in het zicht van de werkmannen. Hij liep opnieuw de stal in en sleurde een hark mee naar buiten. Hij kon er maar moeilijk mee manoeuvreren. Een schoffel en een drieklauw, beide met lange steel, volgden. Hij naam de spade in de hand en stak ze in de grond, zo goed en zo kwaad als hem mogelijk was. Hij leunde erop, de rechterarm geheven boven schouderhoogte. De werkmannen zagen Marco’s serieuze gezicht. Ze glimlachten. Één van hen, Rudy, zijn lange haren golfden in de lichte bries, vertelde hem dat hij eigenlijk ook kon meewerken. Met al dat schone gerief zou hij het zeer goed doen, voegde hij eraan toe. Marco knikte en zei dat hij dat kon. Hij vroeg hen of hij mocht helpen. De werkmannen vertelden hem dat hij dat eerst aan zijn mama moest vragen. Marco liep naar binnen. Hij kwam terug met zijn moeder aan de hand. Ze praatte wat met de mannen. Ze sprak na lang treuzelen af dat hij daags nadien even zou mogen meehelpen. Hij moest dan wel eerst het tuingerei opnieuw opbergen. Zijn moeder nam de zware hark, waarbij ze zich afvroeg hoe Marco die ooit uit de stal had weten te halen. Marco ging nog even goedendag zeggen tegen de werkmannen. Hij zei hen tot morgen en ging toen met zijn moeder mee naar binnen.

Marco was opgelaten die avond. Hij zei tegen zijn papa dat hij nog wat ging voetballen. Zijn vader waarschuwde hem dat het raam van de stal achter in de tuin open stond. Marco moest opletten dat hij er niet tegen liep. Marco zei dat het geen probleem was. Hij ging op in zijn spel, dribbelde er op los. Hij liep zwetend de veertig meter lange tuin heen en terug. Af en toe trapte hij de bal zo hard hij kon tegen de stalmuur. Hij veinsde doelpunten, rakelings naast draaiende vrije trappen en mirakelsaves. De klok liep naar zevenen toen bij een flitsende kapbeweging het uitstekende scharnier van het stalraam zijn hoofd kerfde. Hij ging niet neer, maar wist dat hij niet verder kon spelen. Hij liep, een hand tegen het hoofd, naar zijn ouders, die binnen voor de televisie zaten. Halverwege de tuin voelde hij dat zijn handpalm nat werd. Hij dacht dat het niet meer was dan het zweet dat hem uitbrak na de inspanning. Hij zag echter het bloed over zijn palm, zijn pols en zijn onderarm stromen. Zijn voorhoofd bloedde overvloedig en druppels bevlekten zijn Rode Duivels supportershirt. Was hij daarvoor nog stil, dan zette hij het nu op een krijten zonder weerga. Binnengekomen bleef hij in de keuken staan. Hij schreide nog steeds luidkeels. Zijn vader zei dat hij het had voorspeld. Zijn moeder panikeerde. Ze droeg zijn vader op meteen naar de dokter te rijden. Bij de dokter griende Marco nog steeds. Hij beefde van angst voor de naald en draad die zijn geschonden hoofdhuid weer aaneen zou rijgen. De dokter verdoofde hem plaatselijk. Marco voelde niets van de ingreep. Hij stopte met huilen, maar snikte nog door tot hij helemaal opgelapt weer thuis was. Daar ging hij snel naar bed en sliep spoedig in.

Zijn moeder had gehoopt dat hij ‘s woensdags geen zin meer zou hebben om mee te werken aan de wegel achter de tuin. Haar hoop was ijdel. Na een goed ontbijt trok Marco zijn vuile short aan en vroeg zijn moeder om een T-shirt. Met opgeheven hoofd liep hij naar de werkmannen. Hij toonde trots de ritssluiting op zijn voorhoofd. De mannen plaagden hem ermee; dat hij zich meteen ziek wou zetten, zeiden ze. Ze vertelden hem dat de draadjes verwijderen pas écht pijn zou doen. Marco betwistte dat en maakte hen duidelijk dat hij aan de slag wou. De mannen lachten. Die woensdag harkte Marco het grind egaal over het pad. Tot in de kleine hoekjes van het pad duwde hij de kiezels. Hij bukte zich die dag veelvuldig om te zien of het grind wel echt gelijk lag. De mannen vertelden zijn moeder dat hij flink had gewerkt en dat hij de volgende dag welkom was om de asfaltlaag aan te leggen. Zijn moeder dacht dat Marco er intussen wel genoeg van had. Op donderdag volgde hij echter opnieuw de instructies van voorman Herman. Het asfalt werd waterpas uitgestreken over de breedte van het pad, aan weerskanten nog zo’n twintig centimeter grindberm overlatend.

Op donderdag, zo rond 11.00 uur, begonnen de werkmannen Marco te jennen. De grote baas zou komen kijken of hij zich wel goed van zijn taak had gekweten. Hij zou mooi rechtop moeten staan en met twee woorden spreken, alles uit respect voor de baas. In de namiddag kwam hij dan langs, hij heette Roger. Rudy en Herman vertelden Roger dat Marco flink had meegewerkt en een volwaardige ploegmakker was geweest. De baas schudde Marco, die tot dat moment kaarsrecht in stilte had staan wachten, de hand. Rudy drong bij zijn baas aan op een beloning voor de jonge werker. Roger haalde zijn portefeuille boven en haalde er een stuk van twintig Belgische frank uit. Hij gaf het aan Marco, die verlegen treuzelde over het al dan niet aannemen ervan. Rudy wist hem te overtuigen en Marco reikte uiteindelijk zijn handpalm aan, grote ogen trekkend toen Roger het muntstuk er in legde. De baas wenste de werkmannen een goedenavond, stapte in zijn grijze Volvo en vertrok. Marco hielp nadien nog het laatste stukje asfalt aanleggen. Toen dat klaar was vroeg Rudy of hij de dag nadien nog terugkwam wanneer de werkmannen het gerei zouden komen ophalen. Marco antwoordde dat hij op vrijdag zijn neefjes zou gaan bezoeken. Die verbleven aan zee. De mannen zeiden dat hij het er moest van nemen. Voor ze door gingen schudden ze hem allemaal breed lachend de hand. Toen ze wegreden wuifde Marco hen na tot ze uit het zicht waren verdwenen. Hij liep met gepaste trots de wegel door en speelde met het muntstuk in zijn zak. Toen hij de achterzijde van de ouderlijke tuin passeerde, hoorde hij in de verte de ijskar aankomen. Hij stapte naar het einde van de wegel en wachtte. Toen de kar passeerde bestelde hij een torentje met twee bollen, vanille en pistache. Hij betaalde met het stuk van twintig en kreeg er één terug van tien frank. Hij liep opnieuw de wegel in, nog steeds met opgeheven hoofd. Hij wist dat de ijskar ook aan de andere zijde zou passeren. Hij besloot na dit ijsje nog eentje te kopen. Hij wachtte er opnieuw en bestelde zich opnieuw een torentje met twee bollen, aardbei en pistache deze keer. Opnieuw liep hij de wegel in en dacht: dit is mijn wegel, Marco’s wegel. Toen hij thuiskwam vertelde hij zijn moeder dat hij twintig frank had gekregen van de baas en dat hij daar twee ijsjes mee had gekocht. Zijn moeder glimlachte en vroeg of hij blij was. Haar ogen glinsterden toen Marco bevestigend knikte.

Marco, intussen 22 jaar ouder, zit op een terras. De eerste lentezon geeft warmte, achter glas. Hij hoort een vrouw van ongeveer 45 weeklagen dat ze toch liever Leterme had dan die muilentrekker Van Rompuy. Dat ze Leterme buiten hebben gepest. Dat hij te zwak was voor de politiek. Dat ook. En dat ze in juni weer moet gaan kiezen. Dat het haar eigenlijk niet interesseert, omdat er toch niets verandert. Niets, niets, niets, voegt ze er benadrukkend aan toe. Ze gaat naadloos over op proteïneshakes. Dat ze duur zijn, maar dat je er geen honger aan overhoudt. Of ze echt effect hebben op de lijn, daar twijfelde ze aan. Marco vouwt zijn krant toe, legt ze voor zich op het tafeltje. Hij weet niet meer wat hij precies heeft gelezen. Hij merkt dat een kind duiven voedert. Hij neemt nog een slok van zijn intussen lauwe koffie, zet het halfvolle kopje terug en legt wat kleingeld op het schoteltje, fooi inclusief. Terwijl hij opstaat, kijkt hij naar de stadsduiven die broodkruim pikken dat het kind er gul had rondgestrooid. Het kind loopt intussen naast zijn ouders het marktplein over. Het draait zich telkens weer om naar de duiven, de nog niet volledig ontwikkelde wenkbrauwen geheven en de mond lichtjes open. Het is de eerste lente die het kind bewust meemaakt, lijkt het. Van hieraf aan neemt de verwondering af, denkt Marco, terwijl hij het dorpsplein verlaat.

dinsdag 23 december 2008

Een kerstverhaal

Henri zapt de Nationale Geographic documentaire “Was Darwin Wrong?” weg van het scherm. Als leraar chemie en fysica weet hij er genoeg over. De oppervlakkigheid van dergelijke documentaires gaat aan hem voorbij. Vervolgens ruilt hij de ranke dijen van Beyoncé voor een flits zwart. Henri kijkt naar de klok op zijn schoorsteenmantel. Het is een antiek stuk. Hij erfde het van zijn moeder, die de driedelige klok na het heengaan van haar man, zijn vader, als herinnering aan zijn turbulente leven een belangrijke plaats in haar woning gaf. Voor Henri is het een klok. Het is 21.36 uur. Zesentwintig minuten later passeert de trein richting Gent. Hij staat op uit zijn met groen velours bekleedde tweezit, loopt naar de keuken en giet nog een kop koffie uit. Hij hoort buiten een stemverheffing en een herhaling van doffe klappen. Hij kijkt uit het raam en ziet een man druk gebarend bellen. De man raast door woorden, meer dan door zinnen. Hij trapt en slaat een bord met het dienstrooster van De Lijn. Hij trapt tegen deuren en deukt auto’s. Na een zoveelste vloek zweeft zijn gsm laag over het asfalt. Het toestel slaat aan spaanders tegen de gevel van een onbewoond, al jaren te koop staand huis in de rij; restwaarde 1,1 are grond in het woongebied van een landelijke gemeente, afbraakkosten ten laste van de koper. De man breekt een achteruitkijkspiegel en slaat die herhaaldelijk tegen de trottoirstenen, terwijl schreeuwend dat iemand kapot zal gaan. Henri neemt een slok van zijn lauwe koffie. Hij loopt opnieuw de woonruimte in en kijkt naar de klok. Nog 14 minuten tot de trein naar Gent. Hij drinkt zijn tas koffie uit en stapt naar het toilet. Terwijl hij urineert, valt zijn oog op een bedorven klimop. Hij bedenkt dat hij die eens in de groenafvalcontainer moet dumpen. Hij stapt de nachthall door en grijpt zijn met schapenwol gevoerde denimjack, kijkt in de spiegel en legt zijn in zes dagen ongewassen halflange krullen achter de oren. Hij opent de deur en verlaat zijn appartement.

Henri banjert door de voetgangerstunnel die hem naar het perron richting Gent brengt. Hij merkt de net gespoten bendetags, noch de er hangende geur van de spuitbus op. Op het perron kijkt hij naar links en naar rechts. Links ziet hij in de verte lichtjes komen. De laatste trein die vanuit Gent in zijn dorp halt houdt. Henri vraagt zich af hoelang de trein erover doet van bij het zichtbaar worden van de voorlichten tot het stoppen aan het perron. Hij moet het ooit eens chronometreren. Hij loopt het perron in traag tempo af in de richting van de aankomende trein. Hij kijkt naar de rails en merkt dat ze er bij schamel licht minder vergankelijk uitzien dan overdag. De rails lijken dikker en de hen ondersteunende betonnen bielzen bonkiger. Hij werpt nog een blik op de intussen iets groter geworden voorlichten. Hij kan de trein nog niet horen. Hij hoort enkel de avondlijke stilte en snuift de geur van kwistig opgestookte open haarden op. Hij komt bij het andere eind van het perron en kijkt om. De trein nadert. In de verte hoort hij het belsignaal van een overweg aanslaan. Twintig seconden later zal de overweg die hij na het verlaten van zijn appartement zelf overstak ook aan het rinkelen slaan. Hij stapt naar het midden van het perron. Hij wacht. De trein uit Gent stopt. Geen passagier die uitstapt. De trein trekt op, maakt snelheid en verdwijnt achter de bocht verderop. Het dopplereffect valt hem intussen nog slechts onbewust op. Henri weet dat de trein waarop hij wacht even later diezelfde bocht zal nemen. Hij staat stil en kijkt naar de bocht. Verderop weerklinkt alweer een belsignaal. Hij ziet de lichten de hoek om komen. Even later stopt de trein met de deuren net voor Henri. Ze gaan open. Een door overgewicht geplaagde, dronken taal mompelende man houdt zich krampachtig vast aan de leuning die het afstappen moet vergemakkelijken. Hij neemt twee treden maar verliest bij de derde zijn evenwicht. Zijn hand laat onder druk van zijn overtollige kilo’s de leuning los. Hij mist de derde trede en valt. Zijn rechterschouder breekt zijn val. De man voelt geen pijn maar kreunt. Hij weet dat er iets niet juist zit. Henri kijkt naar de man, stapt over zijn kronkelende benen en bestijgt de trappen van de trappen van de trein. Voor hij de deur van het compartiment opent kijkt hij om. Hij ziet hoe de conductrice de man overeind tracht te helpen. Het lukt haar niet. Ze kijkt op naar hem. Hij betreedt het compartiment, gaat zitten in de rijrichting en tuurt de nacht in. Hij vraagt zich af waar hij heen zal gaan eens hij in Gent is aangekomen. Goed een kwartier later wordt hij uit gedachten gewekt door een blauw, zwaaiend licht. Hij vraagt zich af waarom de trein nog steeds stilstaat.

Henri wandelt van het Sint-Pietersstation naar het oude centrum van Gent. Het valt hem op dat veel cafés de deuren dichthouden deze kerstavond. Ook veel restaurants vreesden te weinig klanten en anticipeerden daarop. Af en toe passeert hij toch een kleine eetgelegenheid waar mensen aan van brandende kaarsen voorziene tafels vier tot zes gangen dineren. Hij had al sinds die middag niets gepeuzeld. De tafeltaferelen bezorgen hem echter geen honger. Hij stapt verder, wacht even tot de verkeerslichten groen slaan en steekt de Charles De Kerckhovelaan over. Hij loopt de verlaten straten door. Aan de Veergrep ziet hij een oude vrouw een Fox Terrier uitlaten. Nadat de hond zijn behoefte heeft gedaan, haalt de bejaarde dame een poepzakje boven en ruimt wat de hond achterliet. De dame merkt dat ze wordt bekeken en spoort haar hond aan haar te volgen. Henri kijkt haar vanuit de schaduw waar hij stilstond na en vraagt zich af waarom ze plots zo’n haast had. Het weer is rustig, zeker niet te koud voor de tijd van het jaar. Zelf liet hij zijn muts thuis. Hij trekt zijn schouders op en vervolgt zijn weg. Hij loopt langs verschillende cafés aan de Korenmarkt en merkt dat de cafés die de deuren openen dat pas ten vroegste om 23.30 uur doen. Zijn digitale uurwerk geeft dertien over elf aan. Hij besluit tot dan wat aan raamwinkelen te doen. Hij stopt al vrij snel voor een lingeriewinkel. Hij ziet een foto van een model met zwart golvend haar en een bruine huidskleurtint. Ze draagt een bloedrood behaatje met een wit kanten, modern bloemenmotief en een slipje in dezelfde kleur en hetzelfde patroon. Over het slipje draagt ze een doorschijnend nachtrokje. Haar bekken is sensueel naar links gedraaid, haar benen staan licht gespreid en haar blik is zo zwoel als een lingeriereclamefoto toelaat. Het valt hem op dat ze haar volle, van bordeaux lipstick voorziene lippen ook een beetje heeft geopend en een glimp van haar verblindend witte tanden toont. Hij bekijkt het model grondig. Hij vraagt zich af of een ventilator haar kapsel deed waaien en hoe die ene lok half voor haar linkeroog kon blijven hangen. Zijn oog valt op haar wenkbrauwen. Hij snapt niet dat ze zoveel tijd wil steken in het zorgvuldig trimmen ervan. Zijn blik daalt verder naar beneden en inspecteert de schaduw in het kuiltje onderaan haar hals. Hij is verbaasd over de onnatuurlijke diepte die het schijnbaar heeft. De schaduw ligt onnatuurlijk diep, besluit hij. Hij vraagt zich af hoe de belichting zat bij de fotosessie. Nog dieper merkt hij het fenomeen ook op bij haar decolleté. Daar staat de schaduw niet in verhouding tot de cupmaat. Zijn aandacht wordt even weggetrokken door een koppel jonge dertigers dat vijf meter voor ze hem zouden passeren fezelend de straat oversteekt. De donkerharige man omhelst zijn met nepnerts sjaal uitgedoste blondine. Henri begrijpt niet waarom ze hem met afgrijzen aankijken. Hij volgt hun wandel en ziet hen opnieuw de straat oversteken. De donkerharige man gluurt nog even zijn op, maar buigt al snel het hoofd en trekt zijn levensgezel dichter tegen zich. Henri richt zich terug op het decolleté. Hij draait zijn hoofd alsof dat het schaduwraadsel kan oplossen. Na een halve minuut geeft hij het op en daalt verder af met zijn blik. Die loopt over haar strakke, half verborgen buikspieren. De donshaartjes op haar buik weerspiegelen het licht. Bij de navel ziet hij dat die ook zo goed als schaduwvrij is. Hij begrijpt het lichtspel helemaal niet meer en beslist door te stappen. Tot slot ziet hij de taille van het model. Die vormt een hoek van 140 graden. Recht en puntig. Geen houdplooi die zo hoekig is, denkt hij. Hij is kwaad op wie de menselijkheid van die vrouwentaille heeft aangetast. Hij staat niet meer stil bij de opvallend lichte tint van de huid onder het nachtrokje.

Henri stiefelt de winkelstraat uit. Als hij links wil afslaan ziet hij aan de overkant een verlichte kroeg. Hij stapt er heen, kijkt binnen en duwt de deur open. Links ziet hij achter de zitbank een rekje met boeken. Van Konsalik tot Aspe, niet verder. Zijn blik draaft verder rond. Flesjes van verschillende biermerken staan overal verspreid. Hij stapt verder het café in. Dit staminee is al oud, denkt hij. De stoelen en tafels zijn typerend voor een bruin café. Hij merkt de waard op en knikt hem goede avond. De man met de grijze haren en korte witte baard wenst hem een vrolijke kerst. Henri antwoordt binnensmonds iets soortgelijks. Hij schuift een barkruk aan kant en neemt plaats aan de toog. Hij bestelt een koffie. De herbergier vertelt hem dat hij net open is, maar dat er die avond best nog wat volk zal langskomen. Hij vertelt dat de kroeg ooit van zijn ouders was en dat hij nooit elders een baan heeft gehad. Hij stelt zich voor als Karel. Henri schudt hem de hand en betaalt de koffie. Karel bedankt hem en loopt naar het achterhuis. Henri voegt suiker toe aan zijn koffie en kijkt de toog af. Links achterin, net naast de deur naar de toiletten, staat een klein aquarium. De exotische vissen erin bewegen nauwelijks. Henri vermoedt dat de oude man de zuurstofpomp best maar eens kan opzetten. Hij kijkt naar buiten de straat op, maar ziet weinig beweging. Aan het eind van de toog staat een champagne-emmer vol rozen, rode en roze. Een onhandig geschreven kaartje vertelt dat ze één euro per stuk kosten. Karel stapt opnieuw de kroeg binnen en vult enkele koelkasten op. Henri drinkt van zijn koffie. Hij vertelt dat de zuurstofpomp in het aquarium best wordt aangeschakeld. Karel kijkt op en knikt. Hij loopt er heen en stopt een stekker in een stopcontact. Even later verschijnen bubbels in het water. Voor iedereen champagne, denkt Henri. De deur gaat open en zes stamgasten treden binnen. Ze nemen plaats en groeten de kroegheer hartelijk. Hij neemt hun bestelling op, brengt hun drankjes en loopt opnieuw naar zijn plaats achter de toog. Hij haalt een foto van de kast en vertelt Henri dat de vrouw op de foto zijn overleden echtgenote is. Hij vraagt Henri met melancholieke blik of hij ook celibatair door het leven gaat. Henri knikt bevestigend. Karel betoont zijn spijt, maar Henri wuift het weg. Kerst is toch niet eenzamer dan andere dagen, vraagt hij de waard. Karel antwoordt niet, maar kijkt hem ongelovig aan. Henri wordt ongemakkelijk van de stilte. Hij besluit nog gauw een tweede koffie te drinken en dan een andere kroeg voor de nacht te zoeken.

vrijdag 14 november 2008

Naamkaartje

Deze morgen stond je te wachten op een metro die je naar kantoor zou brengen. Bob Dylan’s “Hurricane” kraste door de klankkasten. Iemand gaf je een naamkaartje. Naam, werkgever, adres werkgever. Onderaan stonden ook een telefoonnummer en een e-mailadres. “Bel me”, zei de brunette je met een zweem van ondeugd in haar diepblauwe ogen.

Nu ben je niet asociaal. Ook niet onvriendelijk. Af en toe heb je een stuurs ochtendhumeur, dat wel. Maar zelfs dat houd je niet tegen om voor dagelijks passerende gezichten minstens een hoofdknikje over te hebben. Niet zelden is daar ook een fijn glimlachje bij. Als dat al interpretatieruimte laat denk je wanneer je het naamkaartje aanneemt.

Daar sta je vervolgens, te staren naar dat naamkaartje. Van het naamkaartje kijk je op en volg je de eigenaar van die naam. Je kijkt opnieuw naar het kaartje en vandaar weer naar de wegwandelende onbekende die vraagt je te bellen. Je kijkt heen en weer tussen dat kaartje en dat steeds kleiner wordende figuur. Als ze dan eindelijk door die schuifdeuren aan het eind van de gang verdwijnt, besef je dat je midden in de gang nogal meewarig de weg verspert. Je kijkt een laatste keer naar het kaartje en steekt het zorgvuldig in de linkerborstzak van je overhemd.

Je komt als eerste aan op kantoor. Terwijl je jouw computer opstart neem je het naamkaartje uit je borstzak en legt het voor je. Je zit daar en je kijkt ernaar. Je stopt het weer in je borstzak. Je haalt een kop koffie op de gang. Je haalt het kaartje opnieuw boven. Legt het voor je. Je belt, je belt niet. Als bij het bloemblaadjes van een madeliefje trekken, daalt bij elke afweging je zelfvertrouwen af tot een zieltogend surplus. Je bent geen beller. Je komt wellicht niet verder dan “hallo”. Een rake, ijsbrekende oneliner kun je vergeten. Neen. Je belt niet. Je probeert even te vergeten hoe weinig het voorstelt, dat bellen. Het lukt je niet. Je tikt schrijffouten in die memo waar je net aan bent begonnen. Je hebt je kop koffie uit. Je haalt een tweede kop. Je gaat opnieuw achter je scherm zitten en probeert die op de vlucht slaande moed te hergroeperen. Je neemt het kaartje, neemt de hoorn in je hand en tikt haar telefoonnummer in. Net voor het laatste cijfer valt je oog onderaan opnieuw op dat e-mailadres. Je legt de hoorn op de haak.

Je opent een e-mailvenster. Je tikt “hallo”. Je vraagt je af wat je moet schrijven. Je overweegt volledig eerlijk te blijven. Je wilt haar schrijven dat je eigenlijk wou bellen, maar dat je te verlegen bent. Neen, te verlegen, dat wil je niet kwijt. Je bent gewoon geen beller, dat kun je haar vertellen. “Hallo, ik ben niet echt wat je noemt een beller”. Neen, dat is het ook niet. Teveel verlegenheid alweer. Misschien moet je het eerst even over iets anders hebben. Maar over wat? Over dat je even op adem moest komen nadat ze je dat kaartje had gegeven? Neen. Te direct, onnozel ook. Je pleurt het e-mailvenster weer dicht.

Je bent nog steeds alleen op kantoor. Je loopt naar de radio. Wat verstrooiing kan helpen. Je rug drukt de leuning van je stoel achterover. Je vraagt jezelf waarom je onschuld bevriest. Je wordt kwaad van en op jezelf. Je opent opnieuw een e-mailvenster. Je vat aan met “Hallo, ik ben niet echt wat je noemt een beller.” Zelfde twijfel. Je voegt eraan toe dat dit “je kwaad maakt”. Neen. Dat is teveel. Te negatief ook. Je gooit het venster weer dicht. Je hebt onmiddellijk weer spijt. Je diensthoofd wandelt binnen, groet iedereen en deelt taken uit. Er zit niet meteen iets bij voor jou. Je prijst je gelukkig dat het e-mailvenster dicht was.

De voormiddag vordert naar 9.30 uur. Je zit weer alleen. Je collega’s overleggen. Je doet nog een poging om een e-mail te schrijven. Je weet nog steeds niet hoe je moet beginnen. Die eerste zin is nochtans belangrijk. Neen. Die is van levensbelang. De opener bepaalt of de rest, één: gelezen wordt, en twee: of de lezer dat lezen aangenaam vindt. Je opent met “Hallo, ik ben niet echt een beller.” Drie woorden geschrapt. Dat gaat vlot. Maar spoedig begin je alweer met die starende blik van jou dat scherm te bestoken. Je vraagt je af wat je te verliezen hebt. Je gaat ervoor. Je vertelt hoe de telefoon eigenlijk een onoverbrugbare Canyon voor je vormt. Dat je beter bent met het geschreven woord. Je corrigeert: je voelt je beter thuis bij het geschreven woord. Neen. Ook dat niet. Een smoes dan maar. Dat je niet houdt van al die luistervinken op kantoor. Dat je haar daarom niet wou bellen, maar dat je haar toch zo snel mogelijk wou contacteren. Neen. Het klinkt voor geen meter. Je minimaliseert het scherm.

Na vijf minuten schrijf je toch weer verder. Je concentratie is weinig meer dan papierpulp. Je corrigeert, stuurt bij, schrapt woorden en decimeert bijzinnen. Dat had je ooit gehoord, dat schrijven eigenlijk schrappen is. Je vertelt hoe ook het geschreven woord in de weg staat. Dat je liever met haar zou afspreken voor een drankje. Tijdens de lunchpauze bijvoorbeeld. Je stelt een bar voor. Een bar niet zo ver van haar werkgever gelegen. Je schrapt de bar, maar maakt de schrapping een halve seconde later weer ongedaan. Je bent op dreef, denk je. Je plaatst ‘eventueel’ voor de naam van de kroeg. Dat klinkt minder opdringerig. Niet dan?

Misschien moet je haar vertellen dat ze mooi is. Je twijfelt. Misschien is dat er helemaal over. Ze was je op die manier ook nog nooit opgevallen. Toch niet echt. Dat zou dus onzin zijn. Je doet het niet. Je leest je bericht nog eens na. Plaatst een komma en vervangt een andere door een punt. Je hebt vier zinnen. Dat is niet veel. Maar kort en krachtig is misschien niet eens zo slecht. Beetje assertiviteit op tijd en stond. Och ja, goed zo. Druk maar op verzenden.

Wacht. Deed je nu net je ogen dicht? Neen. Of toch? Waarschijnlijk. De cursor verdwijnt weer van de verzendknop. Misschien moet je toch nog wat bijstellen. Wat kleur geven aan het geheel. Desnoods een snufje absurditeit toevoegen. Helemaal loos gaat het op dat toetsenbord. Je weet dat je een natuurlijke rem hebt. Enfin, dat denk je toch. Ruim zeshonderd woorden in goed vijftig regels. Dat lijkt er al wat op. Toch nog eens nalezen.

Je vraagt je af of dit niet te zwaarmoedig klinkt. Of het wel zegt wat je wou zeggen. Wat wou je eigenlijk vertellen? Je had geen idee wat je die onbekende wou vertellen. Of wel? Wat kun je een onbekende kwijt? Hoe ver kun je gaan? Kun je echt jezelf zijn? Misschien moet je maar weer wat verwijderen. De essentie overhouden. Misschien ook niet. Of toch? Wat is de essentie eigenlijk? Zelfs daar ben je niet geheel zeker meer van. Geklop op de deur.

Bericht verzonden.

zondag 9 november 2008

Inhaleer - een puberaal liefdesverhaal

Gisteren had ik een afspraak met een avondvullende monoloog. Beetje Spaans praktiseren. Plan: ik werd opgepikt aan de schoolpoort. Ik maakte mijn fiets vast aan een lantaarnpaal. Je weet wel, die aan de hoek van het hoofdgebouw. Ik keek rond, de laan af. Ik was een kwartier te vroeg. Al zie ik dat eerder als op tijd. Ik bleef rondkijken, ook in gedachten. De geur van verdorde maar met vocht doortrokken bladeren bracht me terug naar 1994. Ik was zeventien, jij slenterde al een jaar langer door het leven. In een omgeving vol schertsvertoon, verdrongen angst, plastieken trots en gewaande grootheid, waren we elkaars sprankel realiteit.

Aan die lantaarnpaal stond je vaak te wachten. ’s Vrijdags was je een uurtje eerder klaar met geveinsd opletten. Je wachtte tot ik, de haren losgemaakt, door de poort stapte. Ik wist dat ik, als ik naar links keek, jouw nerveuze glimlach zou zien. Je was altijd een tikkeltje gespannen. Zelden stond je zonder L&M in je hand te wachten. Toen ik om de hoek van de poort draaide, trok je snel het vuur aan in een peuk en inhaleerde je diep. Je hield dan vaak de filter voor mijn mond en liet me ook een teug nicotine trekken. Terwijl ik mijn lippen om de filter sloot controleerde je de helderheid van mijn irissen. Je zag in een sigaret een symboliek die niet alleen mij te boven ging. Je trok de sigaret terug en inhaleerde zelf nog eens, alsof het delen ervan ons dichter bij elkaar bracht. Regen, koude, wind of bevroren hemelwater; het deerde ons niet. Dat glorieus vervagen van wat om ons heen was, liet ons wortelen bij de lantaarnpaal.

Hoe het begon. We liepen samen school. Onze klassen deelden enkele lessen. Ze deelden nog wel meer. Conformisme. Wij zwommen als zalmen. We deelden onze pauzes, trokken ons terug. Ik vertelde je dat er iemand ’s nachts van je wakker lag. Je leek het niet te snappen, of je wou het niet snappen. Ik liet je raden. Je raadde niet. Ik denk nu dat je het niet wou raden. Ik drong aan. Je plooide niet. Ik hield van die koppigheid die je wipneusje deed krullen en je ogen een spiegel liet worden voor mijn smachten. De bel ging. Ik stond op. Je trok me aan mijn mouw. Je vroeg me wie er van je wakker lag. Je voegde er aan toe dat je zelf wakker zou liggen. Ik antwoordde dat ik het was. We liepen stil terug naar onze lokalen. Toen je binnen ging in één van de kleine gebouwen vroeg ik of je zou kunnen slapen. Je glimlachte verlegen. Ik keek je na tot de deur met een klap dichtviel en kwam vervolgens te laat aan. Na de schooldag wachtte je aan de lantaarnpaal. Je rookte een sigaret. Je liet me trekken.

Die vooravond praatten we lang, zittend op een bankje. Mijn fiets en jouw brommer als buffer tussen ons en wat rondom ons gebeurde. Het was november en dus fris en snel donker. Twee schoolgenoten stonden op een afstand te praten. Één ervan zat af en toe naast me in de les. Ze heette Els. Ik wist dat ze er niet zat met spieken als objectief. Ze stond daar en sprak met een vriendin. Over ons, zoveel was duidelijk. Wij spraken zenuwachtig over hen en raakten het idee ‘wij’ aan. Je porde me een paar keer tussen de ribben. Even later passeerden onze twee toeschouwers. We negeerden hen. Zodra ze om de hoek waren verdwenen, vroeg je of je me mocht kussen. Je ogen vlamden even. Je kwam dichter en een milliseconde lang waren we verbonden in een droge kus. Je keek vervolgens naar het straatasfalt en rommelde wat in je jaszakken. Je vond je gedeukte pakje filtersigaretten en nam er één uit. Je stopte de sigaret in mijn mond en gaf me vuur. Ik liet de sigaret smeulen. Je nam de sigaret over. Ik vroeg waarom ik er geen kreeg. Je greep naar je pakje en gaf me er één. Ik vroeg waarom ik de andere niet mocht houden. Je zei dat ik daar voor jou het vuur had ingejaagd. Dat je die zelf wou oproken. Je liet je brommer draaien en reed naar huis. Ik staarde je na. Het weekend begon.

De maandag die volgde was je enthousiast. Ik was koeltjes. Ik wist niet hoe ik moest aanbrengen hoe ik die zaterdag achter in het jeugdhuis met Els het net iets intenser knuffelen had ontdekt. Hoe ik je moest zeggen dat ik niet kon weerstaan aan die instant bevredigingsdrang. Hoe ik onze voorbije maanden het riool in kieperde. Maanden waarin we zij aan zij liepen bij schooluitstappen, soms achter de groep, meestal als statement ervoor. Hoe ik stilletjes griende omdat je niet doorhad dat ik dicht bij jou liep omdat ik dichtbij niemand anders wou lopen. Tegen de voormiddagpauze had je door dat het fout zat. Je vroeg me waarom ik je niet recht aankeek. Waarom ik zo stil was. Waarom ik zelfs niet vroeg hoe je weekend was geweest. Na het middagmaal wist je het. Je had gezien hoe Els met haar arm mijn middel naar zich toetrok en haar hoofd in mijn hals vleide. Ik zag dat je ons aankeek. Mijn armen hingen slapjes naast me. Sloom keek ik naar je pijn die woede werd. Ik ging voor het schokeffect. Ik duwde Els van me weg. Het rumoer om ons heen viel stil. De blikken van medeleerlingen vertelden een eigen verhaal. Je ogen waren het brandende Rome, en ik was Nero. Je draaide je om. Je liep weg, je gezicht verborgen achter je lange haren. ’s Avonds wachtte je me op. We hadden geen kans zei je, maar je wou horen wat je voor me betekende. Ik kon niet zeggen wat je voor me betekende. Je liet pijn los. Die verscheurde ook mij. Els kwam ons tegemoet. Ze ontplofte, meer naar jou toe dan naar mij. Twee vierkante meter samengepropte idiotie. Toen ze weg stiefelde wou je een sigaret opsteken. Je vond geen vuur. Ik bood je mijn aansteker aan. Je weigerde en stak de sigaret opnieuw in het pakje.

We braken niet helemaal. Spoedig brachten we samen weer vrije momenten door. Op vakantiemaandagen struinden we de markt af. Nadien verscholen we ons in een alternatieve jongerenkroeg kortbij het station. Het meubilair had er drie decennia eerder betere tijden gekend. Jij dronk Palm, ik bleef al die jaren bij cola. Je had intussen een vriend. Van hem stolen we tijd. Hij kende me vaag en was niet vol van onze vriendschap. Je vertelde me dat hij een vief kantje had. Dat we hem moesten mijden. We bleven elkaar zien met wisselende regelmaat. Telkens we afscheid namen droogkusten we. Op een marktdag blies je herhaaldelijk rook in mijn richting. Ik vroeg of je daar kon mee stoppen. Je zei nee. Ik fronste een waarom niet. Je zei dat het een teken van je verboden liefde voor me was.

Na onze schooltijd raakte ons contact in verval. We zagen elkaar goed vijf jaar niet meer. Tot onze blikken elkaar kruisten op de Lokerse feesten. We kwamen beiden het concert van Robert Plant & Strange Sensation bekijken. We praatten het voorprogramma door. Onze stemmen waren nauwelijks hoorbaar. We wisselden gsm-nummers uit. Voor het optreden van Robert Plant nam je afscheid en liep je naar de rijen voor het podium. Ik bleef trouw aan mijn plaatsje naast de geluidstafel. Na het optreden reed ik met vrienden huiswaarts. Ik ontving een sms. Je wou me zien. Die nacht nog. Ik stuurde terug dat ik op de trap naar mijn voordeur zou wachten. We reden de nacht in, door een rood licht, langs de foute kant door een eenrichtingsstraat. Je reed met me naar een uitkijkpunt over de Schelde. De motor ging af. Je greep je handtas en zocht je pakje L&M lights. Je greep een sigaret, bood mij er ook één aan. Ik refuseerde, zei dat ik niet langer rookte en dat een mens nooit zeker was of dat voor altijd was. Je draaide je raam naar beneden. Je blies de rook naar buiten. We keken naar de maan die in het westen de nacht kleurde. We reflecteerden over haar weerspiegeling op de kabbelkopjes van de rivier. Het maanlicht verbleekte naarmate de rode dageraad opdook in je achteruitkijkspiegels …

zaterdag 25 oktober 2008

Luxe

(Gesprek tijdens lunchbreak)

“Nog eens over wat ik deze voormiddag zei.”
“Wat zei je dan?”
“Dat een auto een luxeproduct is. Of beter: dat een auto vaak een luxeproduct is. Weet je nog?”
“Oh nee! Moet je daar nou echt weer op terugkomen. Natuurlijk is het geen luxeproduct. Dat heb ik je toch duidelijk gemaakt?”
“Kijk, woorden mogen niet losjes worden gebruikt. Ze hebben een betekenis, verklaard in gerespecteerde woordenboeken. Luxe betekent zoveel als niet noodzakelijk voor levensonderhoud. Later werd daar ook het begrip beroep aan toegevoegd.”
“Voilà, bewezen. Een auto is voor veel mensen noodzakelijk omdat ze die nodig hebben voor hun job, dus is het geen luxeproduct.”
“Daar zeg je het. Het kán een noodzakelijk kwaad zijn, maar het hoeft dat niet meteen áltijd te zijn. Niet iedereen heeft die auto nodig voor zijn job. Niet iedereen is een gladde vertegenwoordiger wiens voet meer dichtslaande deurstijlen heeft gezien dan bosgrond.”
“Akkoord. Maar je moet ook op je werkplek kunnen aankomen. Openbaar vervoer is vaak geen oplossing dan.”
“Klopt. Maar dan moet je me eens uitleggen waarom veel mensen er ‘s morgens twee uur spitsrijden voor over hebben en dat op elkaar vloekend kabaal er ’s avonds nog eens bij nemen. Die wonen niet allemaal in holletjes Pluto.”
“Je moet de mens keuzevrijheid geven.”
“Ik denk dat je dat vaak zou inslikken, keuzevrijheid is geen arbitrair idee. Maar dat doet er hier niet toe. Een product verliest niet de stempel ‘luxe’ omdat mensen kiezen het te kopen. Feit is dat mensen snel wennen en zich gewillig aanpassen aan omstandigheden die ze als vooruitgang beschouwen. Stilstaan op 't viaduct van Vilvoorde is in die zin ironisch.”
“Maar je kunt toch niet ontkennen dat een auto intussen niet meer weg te denken is?”
“Nou, wie er geen heeft kan dat net wel. Ik zit er bijvoorbeeld niet mee in om wekelijks drie tot vier keer de supermarkt binnen te wandelen om boodschappen te doen. Autobezitters kunnen dat vaak beperken. Maar ik heb dat genot niet gekend en heb me voorgehouden het nooit te kennen.”
“Man, je hebt nog geen kids rondlopen. Wat ga je dan doen?”
“Een maat van me heeft een zoon. Tof kind, beetje verlegen weliswaar. Maar voor ik weer afwijk … Ze verloren hun auto. Het vroeg een aanpassing. Denk je dat het een aderlating voor ze is? Neen. Het toont gewoon het aanpassingsvermogen aan van de mens. Soms doen we daar ook iets positief mee.”
“Het zal ze toch niet meer zo gemakkelijk vallen als voorheen?”
“Neen, uiteraard niet. Maar daar zeg je het wel. Het is gemakkelijk. Het bespaart je tijd. Soms. En soms is dat een zeer valabel argument. Je kunt inderdaad bijvoorbeeld op 8km van een bushalte wonen waar eens om de twee uur een bus passeert die je aan een station afzet van waaruit het nog eens anderhalf uur sporen is naar je bestemming. Ik mag er ook niet aan denken dat je dat ook nog eens moet doen in een stoptrein. Maar enfin, het gaat me niet meteen om die mensen.”
“Om wie dan wel?”
“Om diegenen die uit lamlendigheid achter het stuur kruipen, tiens. Mensen die in de auto springen om naar de bakker op de hoek van de straat te gaan. Ze leven, hoor je me? Ze vergeten dat ze ook voor de deur moeten kunnen parkeren als ze überhaupt een pietlutlange seconde tijdswinst willen slaan uit hun ritje. En al die chauffeurs die maar mekkeren dat ze nergens nog enige snelheid uit die zestienklepper kunnen trekken. Of die al dan niet gezellige doch lamgortige dronkaards die na een avondje zwaar stappen beweren dat alcohol hen geenszins deert. Tot ze even later, bij pakweg het verlaten van het café, struikelen over een traptrede die er nooit was en op de blankgeregende kasseien hun evenwicht mogen hervinden.”
“Alsof je zelf nooit een glas drinkt! Doe niet zo uit de hoogte.”
“Dat ik zelf ook wel eens een glas lust, daar is nog weinig geheim aan. Ik stap dat half uur huiswaarts wel. En wat me stoort is het klagen, man. Het ‘ze stonden er weer. Ik mocht weer alles afgeven. Rijbewijs, sleutels. Ik vertelde die patrouille dat ik nog wel thuis kon geraken hoor, dat ik helemaal niet zo verschrikkelijk dronken was.’ Ze kunnen ze niet lang genoeg van de straat houden! Tot ze echt inzien dat die nul punt vijf tolerantie er in de eerste plaats is om henzelf te beschermen. Je zult als weekendfeestmachine op een weekdag, kraaknuchter als een damhert, maar door een scheel van de wodka kijkende mottigaard worden geschept. Lig je daar mooi. En dan heb nog je de snobs die aan dwangmatige pronkzucht lijden.”
“Tja …”
“Merk en kleur belangrijker dan veilig en zuinig. Dat type dat niet bezig is met verkeer, maar met ’t schoon volk uit te hangen.”
“Vanwaar toch die agitatie, man?”
“De gemakzuchtige waanzin van de idee dat een auto voor niemand nog een luxe is die ervoor zorgt dat alles en vooral iedereen wordt belemmerd. Het is een ironie die ik moeilijk verteer.”
“En jij, de zelfuitgeroepen Springsteen-kenner. Fan van de Amerikaan die voor de lol zijn Humvee buiten haalt, zijn land van Noordoost naar Zuidwest doorkruist, daar aangekomen merkt dat de rit zijn donkere gedachten onvoldoende wist te verstrooien en dan maar terugreed. Hij schreef over weinig of niets anders dan auto’s, snelwegen en asfalt rijk aan remsporen. Ben jij wel consequent? Jij met je collectie cd’s, je halve bibliotheek en je vier hifi- of miniketens. Lonkt je ego ook niet naar narcistisch getinte praal?”
“Ik ontken niet dat die producten in feite een weinig noodzakelijke vorm van luxe zijn. Maar da’s het punt ook. Waarom zou je zoiets ontkennen? Een alcoholicus moet dat stadium ook door. Maar oh wee, als je aan het concept van de automobiel raakt. Zo noodzakelijk als een dak en muren om lijf en leden, zo essentieel voor het leven als de vezels in brood en groente! Knetter word ik van dat heilig huisje op slijtbaar rubber. En Springsteen, tja, hij valt in die categorie, ja. Al is het ginds anders leven dan hier. Je organiseert geen openbaar vervoer tussen 367km uit elkaar liggende dorpen van veertien zielen elk en, de ironie alweer, een tankstation. Dat begrijp ik ook wel. Hoe dan ook, de auto is zijn meest gebruikte metafoor. Een weg uit het dal der sombere kansloosheid. En hij weet dat het raam neerdraaien en de wind honderden kilometers ver door je haren laten waaien geen oplossing is. Je kunt niet vluchten, je kunt je er enkel doorheen vechten. Bekijk hoe de metafoor zich over platen heen ontwikkelt en je begrijpt me wel.”
“En wat als Springsteen ergens in een weide waar in een straal van 30km geen bus of trein komt, een vier uur durend concert geeft? Zoals in zijn begindagen: totaal murw gespeeld verlaat hij het podium. Het enige concert dat je voor je dood nog wil zien. Je zult er misschien geraken, maar koppig als je bent, doe je op niemand een beroep je weer thuis te krijgen. Daar ga je toch wel spijt van hebben als je die nacht in regen en koude moet doorbrengen.”
“Ik vind er wel iets op.”
“Ja, natuurlijk, uiteraard. Een ziektebriefje voor de komende week zeker? Of, stel dat het je ooit nog overkomt, je vriendin wil met je naar zee. De laatste trein zou het plezier verbrodden, want die rijdt al om half elf.”
“Voor die ene keer boek je dan toch een hotel! Of, wanneer je die trip trouwens ’s zomers doet, dan kun je net zo goed in de duinen een kuipje uitgraven en daar de nacht doorbrengen. Kun je ondertussen nog de Grote Beer van de Kleine onderscheiden, vallende sterren tellen en ingehouden wensen prevelen.”
“Alsof ík om dat bijgeloof iets zou geven?”
“Da’s de essentie eigenlijk. Geven we er genoeg om als het er op aan komt?”
“Hoe bedoel je?”
“Eigenlijk komt het er al op aan. Ruim een vijfde van die co2 in de atmosfeer verliet ooit een uitlaatpijp. Laat iedereen het hoofd maar onder de nu nog aanwezige graszoden steken. Spoedig verzanden ook dat beetje groen in fijne, bruine korrels en ander stof. Een dagje Brussel op een weekdag en je hebt zowat een slof sigaretten aan co2 binnen. Oké, da’s overdreven. Lichtjes. Maar daar rijden ongeveer 400.000 wagens per dag rond. De meesten om mensen op hun werk te brengen, maar de inwoners pakken ook hun statusschroot voor een verplaatsing van een vaak onbetekenende 5km. Maar goed, waar trekken we de grens tussen gemak en die moordzucht die onze soort eigen is?” “Steekt de amateurbioloog in jou zijn nerveuze hoofd weer op, ja? Waarom zouden wij hier eigenlijk propere wagens moeten kopen, terwijl die oude, de straat onwaardige wrakken ginder achter in Siberië en Afrika tonnen uitstoten?”
“Waarom? Omdat we onze eigen morele standaard niet mogen verlagen, tiens. Om verandering te creëren moet je er in de eerste plaats een aanvang mee nemen. De vraag is overigens niet waarom, maar waarom niet. Het is niet omdat in een Zuid-Amerikaanse, verdoken dictatuur de mensenrechten een met de voet getreden concept is, dat wij die rechten hier ook moeten overboord gooien. Toch? Maar we wijken af. Laat ik even concreet worden. Brussel heeft een massa idioten die voor minder dan één te verwaarlozen kilometer de auto neemt. Die verplaatsingen maken een vierde uit van wat dagelijks ronddoolt. Vind je dan niet dat die klojo’s moreel verantwoordelijk zijn? Ik bedoel, we zijn hier met zijn allen het meest zeldzame dat we kennen compleet aan het opbrassen: Leven in dit heelal! En niemand die daarvoor dat toekomstig stuk schroot aan kant wil laten. Da’s geen mes in de rug, da’s netjes in de borst. Oog in oog, met het lemmet gekarteld en de pols draaiend, snap je? En je komt er niet eens zo snel van af. Dat mes gaat niet het hart in. Nee. De pessimist annex doemdenker is al lang uit me weg, maar het zou hier traag maar zeker wel eens een tweede Venus kunnen worden voor de Zon door haar waterstof zit en gaat uitzetten. Kun je voorstellen dat je achterkleinkinderen zachtjes aan wegsmelten met alles wat hen omringt? Wegsmelten is hier niet noodzakelijk figuurlijk bedoeld. Enfin, ik wil dat echt niet uitsluiten. Snap je dat dan niet?”
“Wind je niet op, man. Je bent al zo’n stressmug. Kijk ook eens naar een andere zijde, carpoolen bijvoorbeeld. Dat wordt toch al lang gepromoot?”
“Misschien al twintig jaar, ja. Enkel jammer dat niemand aan het carpoolen slaat. Oké, niemand is veel gezegd. Één op vijf wagens bevat meer dan één persoon, vaak koppels die in stilte een auto delen me dunkt. Geslaagd in theorie, dat carpoolen.”
“Rustig nou, man. Weet je nog waarover je begon? Of een auto een luxeproduct is. Kun jij even afwijken! Volgens mij zoek je gewoon wanhopig naar een manier om je reisgedrag naar zuiderse oorden te compenseren.”
“Ik heb voor zover ik me herinner nooit echt geklaagd over die brandstoftoeslag die Europa wou opleggen.”
“Da’s, wees eerlijk, ook wel compleet naast de kwestie.”
“Oké, ik geef toe, temperament is mijn sidekick. Of een auto een luxe is? Misschien moet ik bijstellen, ja. Een last?”

woensdag 1 oktober 2008

Smogdroom

Wat er zich ’s nachts in ’s mensenbrein afspeelt is ook voor de wetenschap nog steeds een niet geheel ontraadseld fenomeen. Dat weerhoudt me er niet van graag te dromen. Vooral de dagvariant die vaak spectaculaire wendingen neemt, maar dat doet niet ter zake hier. Wat ik in de donkere helft van de dag echter liggend bevroed, daarvan onthoud ik zelden meer dan het idee iets aan mijn snel bewegende ogen zien voorbijkomen hebben. Blijkt er bij het krieken van de dageraad toch een restant achter te blijven, dan is het vaak niet meer dan een richtingaanwijzer. Als ik mijn bewust beleefde nachtrust niet overgeef aan nachtmerries – die ik me áltijd weet te herinneren – dan trek ik zelf graag het pak van onderwerp of gewillig lijdend voorwerp aan in een lucide droom. Niet dat het leuk is, maar er komt wel eens een vraagstuk of tweeëntwintig om de hoek loeren. Niet alleen over je eigen persoonlijkheid en je verhouding tot wat zich rond jou bevindt, maar ook over een immer evoluerende maatschappij. Niet meteen visionair, evenmin beangstigend. Wel vraagoproerend. Het ‘beeld je eens in’ gevolgd door de grote ‘wat als’ zeg maar. George Orwell, Philip K. Dick en de broeders Wachowski ontmoetten elkaar vorig weekend in een setting waarin niemand koordloos door het leven scharrelt. Ver vooruit in de toekomst of zo’n tien jaar is niet meteen relevant, al schat ik dat het drama zich eerder ergens rond 2076 voltrekt. Ik, de logische hoofdfiguur in mijn eigen lucide droom, ontving net een telegram.

Ik opende de kaarthouder en nam de informatiedrager eruit. Het ding was zowat een bankkaart groot. Ik schoof de magneetstrip door mijn persoonlijke lezer en op mijn tv-scherm verscheen de boodschap dat ‘mijn kind’ klaar was. Ik werd die dag verwacht aan de afhaaldienst. De instructie luidde dat ik me naar een teleportatiebox moest gaan en een bepaald nummer moest ingeven. Dat kon via de chip op de kaart die de boodschap bevatte. Verbaasd en niet helemaal zeker van wat ik te verwachten had verliet ik mijn appartement, ging de trap af en liep de straat op. Twee straatblokken verder kwam ik bij de teleportatiebox. Ik duwde de kaart in de gleuf en drukte de hoornloze haak in. Ik zoefde weg zonder de bestemming te kennen. Ik kwam aan in een terminal in een gigantisch gebouw.
Ik keek rond in de ruimte. De verdieping van het immense gebouw waarop ik me bevond torende boven de zwaar wegende smogwolken uit. Wolken die het straatplaveisel gijzelden en de daar wonende mensen slechts karig van zonlicht voorzagen. Door de in koepels uitlopende ramen waren de daken van andere, al even gigantische gebouwen te zien. Op hun daken kwamen teelten tot wasdom die voor het invallen van de eeuwige smog op door boeren bewerkte velden geoogst werden. De percelen strekten zich uit over de gehele horizon. Systematisch werd een perceel af en toe overkoepeld. Daaronder produceerden genetisch gemanipuleerde loofbomen grote hoeveelheden zuurstof. Die werd via pompen naar leidingen onder het straatoppervlak gestuwd. Van daaruit borrelde in zorgvuldig en minimaal afgemeten hoeveelheden de zuurstof via kleine gaten de straten in. Het was een heldere dag daarboven. Geen spat van een wolk. Het licht deed pijn aan mijn ogen. Ik liep doelloos rond in het gebouw. Een mensendrom bewoog zich individueel in een schijnbaar opgelegde richting. Niemand botste tegen een ander op, niemand sprak een ander aan. Ik vond de infobalie. Daar vroeg een dame me naar de telegramkaart. Ik gaf de kaart aan de dame. Ze ging na welke informatie erop stond en zei dat ik me naar lift drie mocht gaan zodra ik mijn naam hoorde afroepen. Naast het schuifelen van voeten en de af en toe galmende en nasaal klinkende servergestuurde omroepstem was het stil in de ontvangsthal. Ik liep naar de ramen en staarde naar buiten. Wel een halfuur lang prentte ik me het blauw van de lucht in.
Ik hoorde mijn naam echoën en stapte naar lift drie. De deuren sloten zodra ik was ingestapt. De lift kende geen teller maar daalde voelbaar snel. Goed drie en een halve minuut later openden de deuren zich. Een dame in een witte doktersjas stond me op te wachten. Ze vroeg nogmaals de telegramkaart. Ik stak haar de kaart toe. Ze duwde hem in een leesmachine. Aan het andere eind van het apparaat liep een certificaat uit de printrol. De dame gaf me het document en vertelde me dat ik het na “het innen van mijn kind” voor ontvangst moest ondertekenen en aan de bode beneden moest bezorgen. Ze toonde me de weg naar een steile, neerwaarts rollende geautomatiseerde trap. Het einde ervan was niet te zien. Ik liet me meevoeren doorheen de metalen koker. Door de beperkte snelheid duurde de tocht verscheidene minuten. Het saaie, aluminiumgrijze decor wiegde gedachten tot moes. Beneden kwam ik aan een balie die opgetrokken was uit hetzelfde materiaal. Ik gaf het certificaat af aan de bediende. Ze liep naar achter door twee klapdeuren zoals de deuren die de eetruimte van een restaurant scheiden van de keuken. Een moment later kwam ze terug. Ze verzocht me het certificaat te tekenen. ‘Het kind’ kon ik vijf meter verderop uit de lade nemen. Het had zijn basisopleiding met vrucht beëindigd, zei ze. Zijn toekomst kon in de technologie liggen. Voldoende stimulans kon van hem een succes maken. Ik tekende onbewogen het certificaat en schuifelde vijf meter verder, opende de lade en nam de achterwaarts geplaatste kinderstoel uit de lade. Het kind woog behoorlijk.
Ik draaide de kinderstoel en keek neer op de kaalgeschoren schedel van de mij toegekende zoon. Grote, leergierige ogen keken me verwachtingsvol aan. Ik vroeg hem hoe oud hij was. Hij antwoordde dat hij net zeven was geworden. Hij wilde weten of ik zijn papa was. Ik knikte. Ik vroeg hoe hij wilde heten. Met een stralende glimlach antwoordde hij dat hij Meo een mooie naam vond. Ik vertelde hem dat ook ik Meo een mooie naam vond. Hij had weinig meer aan dan een lendendoek, merkte ik. Ik legde mijn overjas over zijn lichaam heen. Buiten was het kil. De bediende moedigde me aan het gebouw te verlaten. Er wachtten volgens haar nog anderen op hun kind en ze kon slechts één ouder tegelijk verder helpen. Ik ontklikte de draagarm van de stoel en liep naar de automatische, van geblindeerde ramen voorziene schuifdeuren. De bediende drukte op een knop. De deuren schoven snel open. Daarbuiten wachtte het halfduister dat de dag van de nacht scheidt. Meo trok nog steeds grote ogen.
Meo en ik kwamen buiten. Hij keek energiek rond, terwijl ik bedacht hoe ik thuis kon raken. Ik vond geen herkenningspunt, wist niet in welke stad ik me bevond, laat staan in welk district. Ik sloeg de eerste straat rechts af en liep die ongeveer vijf minuten door. Ik had gehoopt een klerenzaak tegen te komen. Geen spoor ervan. Mijn arm werd moe van het dragen. We naderden een pleintje met in het midden een fontein. Er had in geen jaren nog water de lucht verblijd. Wat overbleef was drekkig bruin door neerslaande smog. Verkankerd water. Ik vroeg Meo of hij al kon lopen. Hij knikte. Ik hielp hem overeind te komen. Hij zei dat hij de stoel niet meer zou nodig hebben. Dat hij naar huis wou. Ik vroeg hem wat ‘huis’ voor hem betekende. Hij gaf geen antwoord. Geprogrammeerd om te weten en sentiment te bannen. Ik vertelde hem dat ik niet wist hoe er te geraken. Dat ik geen telegram had die ons beiden in een flits terug kon teleporteren. Hij vertelde me dat hij daarover geleerd had. De eerste test voor de ouder was veilig thuis geraken met het kind. Lukte dat niet, dan was er niets verloren. Een kind van een slechte ouder deugt evenmin. In het grote geheel betekent het zoveel als een verwijderde zwakke schakel. Een kind van een gefaalde ouder wordt zelf nooit ouder. Meo’s gelaat verried enige trots. Hij wist hoe deze maatschappij werkte. Ik gooide de stoel op een stapel afval van variërend allooi.
We keken wat rond. Moeders met dochters, vaders met zonen. Niemand praatte met iemand anders dan het eigen kind. Iemand die alleen de straat op ging had enkel oog voor de straatstenen. Ik stond op en vroeg iemand naar een klerenzaak, omdat ik Meo aan het najaar aangepaste kledij wou bezorgen. De man negeerde me, versnelde zijn pas. Glurend vanonder zijn dikke wenkbrauwen keek hij om bij het rechts afslaan in een donkere steeg. Ik nam Meo bij de hand. We liepen een laan in aan de andere zijde van het plein. De laan was geflankeerd met versteende bomen. Allen met een bruine bast en geknakte kruin. Aan het einde van de laan knipperde neonverlichting. We kwamen aan bij het leeggehaalde pand en zagen het verspaanderde hout van wat eens de deur was. Meo keek vragend naar me op. Neen, niet thuis. Ik kon hem vertellen wat thuis was, maar had geen idee hoe ik er heen moest. Een dame passeerde met haar dochter. Voor ik haar een vraag kon stellen, verdween ze met steeds snellere passen om de hoek, daarbij haar dochter aan de arm sleurend. Ik probeerde haar nog na te roepen maar de woorden stokten. Roepen deed je niet. Je hield je kalm. Altijd. Je stem verheffen was oproer kraaien, genoeg voor eenzame opsluiting. Iedereen zweeg of sprak enkel met wie hen toegewezen werd. Meo keek nog steeds hoopvol naar me op. Hij zag mijn intussen hangende schouders en glimlachte …

Toen besliste ik dat er maar één manier was om me van daar naar huis te teleporteren.

woensdag 24 september 2008

Tandenbijten

8:03. Ik hou niet van afgeronde opstamomenten. Op doelloze vakantiedagen laat ik dat sowieso achterwege, die wekker. Tenzij naar het einde toe van een keten van die dagen. Dagen waarop het doelloze wat te smeuïg begint te voelen. Vandaar dus 8:03. En blèren dat het ding deed. Na de nieuws-, verkeers- en weersberichten de zoete praatjes en plaatjes die zowat elke dag het nieuws volgen. Niet zozeer het nieuws is daarbij het sleurelement. Onzin van betrekkelijk overbodig niveau. Er kon geen glimlach af. Niet in het minst omdat mijn linkeroog gebukt ging onder traag stekende hoofdpijn. Als ik daar last van heb dan heb ik dat altijd enkel links. Dat is op zijn minst gezegd beu. Geen wonder dat mijn linkeroog het minst ontwikkelde mijner beider lenzen is. Het liep er deze ochtend niet enkel pijnscheel bij, maar het hangt er ook immer lui bij. Tot het einde mijner tijd zal het ooglid daar de luiwammes uithangen. Een trek die bij andere familietakken weliswaar minder verborgen wist te blijven. Je hoort me niet klagen. Maar op een zaterdagnacht rond 02:38 die blauwe kijkers van me nog bovenhalen om bij wat vrouwelijk schoon interesse te doen ontluiken is een toonbeeld van weinig resultaatgericht denken. Enfin, 8:03 ging de radio dus aan het blèren.

Ik liep de trap af, evenwicht vindend bij de leuning. Via de nachthal en de woonkamer kwam ik in de keuken terecht. In de hoek daar bevindt zich het apothekerskastje. Recent opgeruimd. Geen spoor van een pijnstiller. De eerste vloek van de dag was een feit. Pas twee en een halve minuut verder scheurde ik een zakje met wit poeder open. De inhoud gleed in een glas. Één van die dingen waar ooit mosterd in zat, waarrond Taz achter Daffy aan zit. Ik zocht water. Enkel ijskastgekoeld. De kraan dan maar. Ik hou niet van koud water. Ik roerde het goedje om tot door het water slechts nog wazige partikels van de pijnstiller ronddraaiden. Het goedje plensde mijn slokdarm in. Een maag niet langer nuchter en toe aan een ontbijt. Een ontbijt voor de tv: the following events take place between 7pm and 8pm. Misschien goed dat hier wel afgerond werd. Dat zou anders nogal een zootje worden.

Na het ontbijt voor tv en een middellange stop in de badkamer zocht ik de enige nog werkende fietspomp die ik rijk ben. Die zat verborgen tussen aftandse paraplu’s en niet werkende fietspompen. Misschien moet ik af en toe eens iets weggooien. Geen zwak plan voor binnen goed een jaar. Enfin, banden oppompen, dat wordt moeilijker naarmate je lucht in die rubberen tube hebt geperst. En ik hou van harde banden. Ik was na twee stuks, zeg maar, pompaf. Tijdelijk weliswaar, recuperatie was altijd al een sterk punt. En ik had nog een fietstocht van 5km voor de boeg. Verdubbel dat maar, ik moest nog terug ook. Eindbestemming was een sportzaak in een nabijgelegen, recent met een waarachtig cultuurcentrum opgekalefaterd plattelandsdorp. De mentaliteit daar mocht meteen ook eens opgekalefaterd worden. Reden voor mijn verplaatsing: een paar aan mijn voeten gegoten zittende loopschoenen. Merk onbelangrijk.

Gaat u maar naar de loopband, ik stuur zo dadelijk wel iemand”, zei de overmaats verjaarde bediende aan de kassa me op zachtaardige toon en met glimlach. Ik stond er al goed 42 seconden mijn hand op te steken. Ze had mijn “hallo, goeiemorgen” niet gehoord. Ik bedankte haar en wandelde door naar achter. Ik was de tweede wachtende. De man voor me was een aantal weken eerder al begonnen met lopen. Op het strand, tijdens zijn verlof aan zee. Zo zei hij. Hij had dan maar besloten een echt paar loopschoenen – voor mensen die wat zwaarder zijn – te kopen. Hij moest dringend die rookstopkilo’s weer kwijt. De verkoper zei dat lopen daar goed voor was. Derde paar, goedkoopste paar, goede paar. Toen was het mijn beurt. De verkoper annex ergotherapeut vroeg me of ik al begonnen was met lopen of nog moest beginnen. Ik vertelde hem dat ik het type was dat eerst besliste de noodzakelijke attributen te kopen en nadien wel zag of het volhardingsvermogen eveneens aanwezig was. Hij antwoordde niets, maar vroeg me om mijn voeten op de loopband te laten stappen. Kon hij kijken waar mijn voeten steun nodig hadden. Ik kreeg een woordenstroom over me heen. Ik had nog steeds hoofdpijn, zij het in iets lichtere mate. Ik onthield dat ik een net iets minder zware voet had dan mijn voorganger. Ik kreeg eveneens drie paar schoenen. Tweede paar, best zittende paar.

Een slordige 100 euro en 5km fietsen later draaide ik de oprit op. Misschien had ik ook een loopbroekje moeten kopen. Misschien had ik zelfs helemaal geen sportief uitziende short meer. Dertien jaar geleden liep ik voor het laatst. Dat veroorzaakt twijfel als je kledij zoekt. In de kast naast mijn bed vond ik een short. Lekker soepel, vederlicht. Al is vederlicht bij 14° C geen must. Klokslag 11:59 liep ik met mijn nog blinkende schoeisel langs de schoolpoort van het peutertuintje goed vijftig meter van mijn voordeur. Wachtende grootouders in een alledaags gesprek. Ik nam het straatbeton. Lekker soepele tred. Eerst de hiel en dan de rest van de voet rollen. Dat had ik een dag eerder nog opgezocht. Om zeker te zijn. Had ik ook iets gelezen over ademhalen? Had ik beter gedaan. Een kwartier en wat ironisch bedoelde aanmoedigingen van de door de stad ingehuurde groendienst verder hadden die moedig pompende longen 50 meter respijt verdiend. Ik liep nog vijf minuten verder op mijn looppad naar de pijngrens. Stapte vervolgens de laatste tientallen meters tot de oprit uit. Cool down, heet dat dan.

Ik vraag me af of mijn lichaam zich morgen naar mijn soepelheid eisende geest zal gedragen. De kans is eerder klein. Zo’n vermoeden had ik al bij vertrek. Wellicht gedragen mijn benen zich nog welvoeglijk. De pijn zal zich eerder op onverwachte plaatsen uitstrekken. Rug, buik, schouders; lichaamsdelen die je niet zou associëren met lopen. Van dijen en eventueel kuiten verwacht je dat ze pijn gaan doen. Wellicht meer bij het afdalen van een trap dan bij het oplopen ervan. En die pijn is twee dagen later doorgaans pas aan het hoogtepunt gekomen. En dan moet je die joggers en dat shortje weer aantrekken. Dat wordt geen zicht. Vooral niet de eerste 500 meter. Dat weet ik. Ik ben nu al van plan later of vroeger te vertrekken. Hoe minder toeschouwers, hoe groter dat gevoel over dat tandenbijten. Mijn tandarts even verderop moedigt me meer dan waarschijnlijk aan als ik zijn praktijk voorbijsnel. Hij kent mijn sportverleden. Hij grijnst zich te pletter, weet ik. Een kroon meer of minder …